Opinie

Minister Bijleveld heeft gefaald in geven van opheldering

burgerdoden

Commentaar

Als het de bedoeling was van minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) om deze week opheldering te verschaffen over het niet informeren van de Tweede Kamer van door Nederlandse F-16-gevechtsvliegtuigen veroorzaakte burgerslachtoffers in Irak, dan heeft zij hierin jammerlijk gefaald. Het mistgordijn is eigenlijk alleen maar groter geworden. Datzelfde geldt voor de potentiële kring betrokken (ex) ministers. Met als meest saillante naam die van minister-president Mark Rutte die plotseling in het Tweede Kamerdebat opdook. Die zich overigens niets kan herinneren.

Het door Bijleveld voorgenomen beantwoorden van vragen heeft slechts geleid tot meer vragen bij de Tweede Kamer. Een brief, vervolgens een feitenrelaas en ook nog eens twee debatten bleken niet voldoende om de Kamerleden te overtuigen. En zo dreigt weer de volgende, klassieke doorzeurende Haagse kwestie waarbij de vraag ‘wie-wist-wat-wanneer’ centraal staat. Een vraag met een hoog politiek afbreukrisico zoals de parlementaire geschiedenis al zo vaak heeft bewezen.

Overigens is het onderwerp er wel naar om tot de bodem te worden uitgezocht. Het uitzenden van Nederlandse militairen naar oorlogsgebieden is omgeven met strenge en nauw omschreven parlementaire procedures. Eén van de afspraken is dat de regering zich verplicht tot het maximaal verstrekken van informatie aan het parlement. Dat geldt zowel voor de aanloop naar als tijdens een militaire operatie.

De deelname in het hoogste geweldsspectrum van Nederlandse F-16’s aan de internationale anti-ISIS coalitie was afgezien van de uitzending naar Afghanistan voor Nederlandse begrippen ongekend. Er werden 3.000 missies boven Irak en Syrië uitgevoerd. Zonder dat de piloten maar iets kan worden verweten is het in juni 2015, toen Nederland een half jaar actief was, bij een luchtaanval op een bommenfabriek van IS in de Iraakse plaats Hawija heel erg misgegaan. Ten minste zeventig burgerdoden waren het gevolg. Het Nederlandse parlement is hiervan nooit op de hoogte gesteld. Terecht dat de Tweede Kamer dit zeer hoog opneemt.

Er zijn goede redenen om het parlement niet direct of niet tot in detail te informeren. Dat heeft te maken met operationele- en veiligheidsrisico’s. Maar wat niet kan, is dat vanuit het ministerie van Defensie gewoonweg is ontkend dat er burgerslachtoffers waren en er zodoende sprake was van verkeerde informatie. Minister Bijleveld heeft tegenover de Tweede Kamer erkend dat dit fout was, maar in haar verdediging weer nieuwe twijfels gezaaid.

Want hoe kon het dat zij pas afgelopen vrijdag wist dat de Tweede Kamer door haar voorganger Jeanine Hennis (VVD) verkeerd was geïnformeerd, terwijl die verkeerde informatie in openbare bronnen stond en dan ook al twee weken geleden in de pers is gesignaleerd? Wie waren er nog meer op de hoogte? De inzet in Syrië is behalve van de minister van Defensie ook een verantwoordelijkheid van de ministers van Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Algemene Zaken. Wisten zij van het fatale bombardement en anders: waarom wisten zij het niet?

Het is uiterst pijnlijk dat minister Bijleveld de afgelopen dagen op deze overzichtelijke vragen geen adequaat antwoord heeft weten te geven. Als het om verstrekken van informatie gaat, had het ministerie van Defensie – denk aan Srebrenica – al een negatieve reputatie. Die reputatie staat na deze week helaas nog recht overeind.