Opinie

Millennials moeten het theater redden

Maatschappij kijkt terug op Aktie Tomaat en concludeert: de toen afgedwongen taal van de revolutie laat een laffe nasmaak achter. De hoop is gevestigd op millennials die, anders dan hun voorgangers in 1969, niets te winnen hebben.
Illustratie NRC

Parelkettingen. Knisperende kousen. Twin setjes, al dan niet van Coco Chanel. Tweed pakken. Engelse brogues. Buiten reden grijze trams zonder buitenreclame in een verpauperde stad. Binnen fonkelde witte wijn in bedauwde glazen. Spraken witte hoofden geaffecteerd Nederlands.

Het repertoiretoneel van de jaren vijftig en zestig was in de klassieke, Marxistische betekenis van het woord eerst en vooral burgerlijk. De uitvoeringen waren tekstgetrouw, de mise-en-scène was realistisch, de regisseur was een afgod en de repertoirekeuze was klassiek en veilig: Shakespeare, Molière, Griekse tragedies, wat Ibsen, Tsjechov en moderne Amerikanen, gelardeerd met blijspelen. Niets schuurde, wrikte, prikte of deed pijn, maakte verbolgen of zette aan tot protest.

De Nederlandse bourgeoisie kwam, gaf een staande ovatie en ging over tot de orde van de dag.

Tot 9 oktober 1969. Toen gooiden een vrouw en een man tijdens de première van De Storm van Shakespeare door de Nederlandse Comedie zo’n zeven tomaten naar de acteurs. De klachten waren, zoals altijd, diffuus. Te veel rondreizen, te weinig subsidie, te veel oude witte mannen, te burgerlijk, te ouderwets, te weinig experimenteel, te weinig engagement, te weinig politiek, te veel oude politiek.

„De gevolgen van de Aktie Tomaat waren groot”, heet het op Wikipedia. De uitleg van dit zelfgenoegzame oordeel bestaat vervolgens uit een opsomming van wat er allemaal werd bereikt: meer sociale en geografische spreiding van fondsen voor kunst en cultuur, nieuwe gezelschappen en theaters in de provincie, meer geld voor jeugd- en vormingstheater en een grote opruiming in de top van het Nederlandse toneel. Zeg maar dag tegen Han Bentz van den Berg, Guus Oster, Ellen Vogel en Willem Nijholt. „Good riddance”, zeiden de demonstranten. Vermoord, klaagde de oude toneelelite.

Meer straatrumoer, meer Marxisme

Het lijkt als twee druppels water op de collectieve vadermoord die op dat moment aan de Universiteit van Amsterdam plaatsvond, met de politicoloog Hans Daudt als voornaamste slachtoffer en studentenleider Bram de Swaan als belangrijkste winnaar.

In beide gevallen sneefde een oude generatie op de wensen, verlangens en wereldbeelden van een nieuwe. En die wilde vooral meer straatrumoer op de planken en meer Marxisme in de collegezalen. Maar wierp in het geniep ook een begerig oog op de privileges van de vermoorde vaders: de mars door de instituties naar het pluche kon beginnen.

Lees ook: dit schreef NRC bij het veertigjarig jubileum van Aktie Tomaat

Fast forward naar 2019 en de ‘gevolgen van de Aktie’ vallen weg tegen de achtergrond van de levensbedreigende crises die het kapitalisme ons in de schoot werpt. In steno en in willekeurige volgorde: een groeiende schuldenberg, een snelle opwarming van de aarde, stagnerende inkomens, een razendsnelle afname van de biodiversiteit, een groeiende stroom klimaatvluchtelingen, slinkende zoetwatervoorraden en zo kan ik nog wel even doorgaan.

En als kroon daarop: een politiek stelsel dat zodanig is verkankerd door grootzakelijke belangen dat het zonder kapitalistische accordering geen besluiten durft te nemen. Denk: loze klimaatakkoorden, boterzachte stikstofnormen, lagere vennootschapsbelasting, vrijhandelsverdragen, Europese integratie, beschermen van het Nederlandse belastingparadijs, verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt.

Lees ook: Maak van het kapitalisme geen karikatuur

Resistance is, zeg maar, hot

In de spiegel van de samenleving die de kunsten pretenderen te zijn, levert dat een tweeslachtig beeld op. Enerzijds zijn er veel kritische gebaren. Wie houdt van geëngageerde kunst kan zijn lol op. Engagement is hip; verzet, en dan liefst op zijn Engels uitgesproken, resistance, is hot. In de titels van tentoonstellingen, kunstwerken en opvoeringen tiert de taal van de revolutie dan ook welig.

Ook in de toneelwereld. Te pas en te onpas wordt het publiek door toneelmakers en regisseurs aangesproken op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het klassieke repertoire wordt afgewisseld met publieksavonden gewijd aan grote thema’s als geld, diversiteit en milieu. En in de keuze van de stukken en de mis-en-scène wordt veel verwezen naar de identiteitskwesties die momenteel de politiek domineren. En dus worden mannelijke hoofdpersonen bijvoorbeeld gespeeld door vrouwen. Of witte plantage-eigenaren door zwarte acteurs. Lekker provocerend allemaal.

Anderzijds laat het ook een laffe nasmaak achter: te veel esthetica, te veel bedachte conversation pieces, te veel épater le bourgeois, te veel obligaat voldoen aan de eis van maatschappelijke relevantie van de subsidieverstrekker en vooral te weinig aanklachten waarin man en paard worden genoemd en het publiek een hooivork krijgt aangereikt. Te vaak is de teneur: het gaat weliswaar klote maar als we maar optimistisch blijven en samen de schouders eronder zetten, komt alles goed.

Polderen tussen de schuifdeuren

De toneelmaker van nu lijkt er voor terug te deinzen om stelling te nemen, wil net als de journalist hoor en wederhoor toepassen. En dus krijgt ook de klimaatontkenner het woord, de bankier of de racist. Het is polderen tussen de schuifdeuren. En dat in een tijd waarin het voortbestaan van de planeet op het spel staat en er letterlijk geen tijd te verliezen is – zeker niet aan poldergeouwehoer.

Het gevolg is dat de revolutionaire emotie zo dun is als een tinnen pannetje. De woede is vervlogen zodra de theaterganger weer buiten staat en in zijn auto stapt, terug naar dat fraaie appartement in de stad of die heerlijke twee-onder-een-kap in suburbia. Want vijftig euro neertellen voor een avondje maatschappijkritisch toneel, dat kan welbeschouwd natuurlijk alleen de gegoede middenklasse. En die gegoede middenklasse is natuurlijk bovenal wit en vooral grijs, heel erg grijs.

’s Nachts droomt diezelfde bezoeker de zoete droom van de revolte, in de comfortabele wetenschap dat de wereldverbeteraar die hij of zij ooit is geweest, dertig jaar later nog altijd in zijn of haar borst sluimert. Zodra het hondenfluitje klinkt – revolutie, inspraak, kritiek, verandering, of hoe al die politieke prikkelwoorden ook mogen luiden – giert de adrenaline van de studententijd voor eventjes weer door de dichtslibbende aderen.

En het mooie is dat je je zo revolutionair kunt wanen zonder ooit een steen te hebben hoeven werpen, een nacht in de cel te hebben hoeven doorbrengen of traangas te hebben hoeven inademen. Want we moeten het samen rooien, toch? Zoals het in de polder al eeuwen gaat. Zo vergruist de verantwoordelijkheid en wordt maatschappijverandering een spelletje wachten op de buren. En dan stap je de volgende ochtend weer doodleuk in je auto of pak je de trein, rij je naar je werk, doe je je ding, ben je blij met holle klimaatakkoorden en zorg je er alleen al daardoor voor dat de neoliberale status quo weer een dagje langer ongemoeid zijn onzalige dingen kan doen.

Maak critici monddood

Het is een bekende pacificeringsstrategie: maak je critici monddood door hun taal over te nemen. En suggereer vervolgens met die taal dat je bent veranderd: kapitalisme 2.0. In een prachtig boek, getiteld The New Spirit of Capitalism, hebben de Franse sociologen Luc Boltanski en Eve Chiapello laten zien hoe dat werkt. Iedere volgende crisis van het kapitalisme mondde uit in een nieuw legitimerend verhaal: van welvaart in de eerste naoorlogse decennia naar vrijheid sinds 1989 naar zelfontplooiing in de 21ste eeuw. Kijk de managementliteratuur er maar op na.

En dus vinden we de mediterende hippies anno 2019 terug in de bestuurskamers van multinationals. Is boeddhistische mindfulness het middel geworden om overspannen managers opnieuw de arbeidsmarkt op te schoppen zonder te zoeken naar de echte oorzaken van stress. Is vrijheid de politieke term waaromheen een scala aan internetwinkels zijn marketing heeft geplooid. En is revolutie een begrip geworden waar vooral bedrijven zich graag mee tooien - een revolutie in de wereld van de lipstick las ik onlangs op een billboard.

Lees ook: Heeft het theater nog rookbommen en tomaten nodig?

Het spijt mij het te moeten zeggen, maar net zo’n rol speelt maatschappijkritiek in het toneel. Het is een aflaat, een fopspeen, een tijdelijke spierverslapper, een sedatief, een leverancier van loze kritische gebaren. En ik ben bang dat vijftig jaar na Aktie Tomaat smijten met een Rotte Avocado – de knuffelvrucht van de hipster – geen soelaas gaat bieden. Zeker niet als de werparm toebehoort aan de huidige toneelelite: veertigers en vijftigers, met kinderen en hypotheken. Want zoals we weten: geen probater middel om de revolutionaire vonk te doven dan schuldslavernij.

Net als vijftig jaar geleden zal het van de millenials moeten komen. Lien Heyting en Ernst Karst waren begin twintig toen ze het podium bestookten met rotte tomaten. En dat is geen toeval. Wie niets bezit, heeft ook niets te verliezen, en dus veel te winnen. Maar anders dan toen geldt dat laatste niet voor de twintigers van nu. Van de toekomst hoeven zij niets te verwachten: geen huis, geen pensioen, geen vaste baan, geen vast inkomen en geen planeet. Daar zorgen Shell, Unilever, KLM en hun handlangers in Den Haag wel voor.

En dat is het kenmerk van desperaatheid, van ten einde raad zijn. En dus kunnen we misschien, heel misschien, over vijftig jaar, als we hier weer zitten, concluderen dat de gevolgen van Aktie Avocado, in de droogkloterige taal van Wikipedia, ‘groot waren’.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.