Esther Duflo„Alleen politici worden nog minder vertrouwd dan economen.”

Foto Lars van den Brink

‘Economen zijn vreselijk slecht in voorspellen’

Interview | Esther Duflo, Nobelprijswinnaar In plaats van grote theorieën optuigen wil Duflo, die dit jaar de Nobelprijs voor de Economie won, het leven van mensen verbeteren. „Het effect van financiële prikkels wordt stelselmatig overschat.”

Een Nobelprijs voor de hele beweging van randomistas. Zo ziet Esther Duflo de waardering van het Nobelcomité het liefst. Dit jaar kreeg ze de Nobelprijs voor Economie toegekend, samen met haar collega’s Abhijit Banerjee (tevens haar levenspartner) en Michael Kremer.

Waardering voor al die economen die liever de feiten laten spreken dan de modellen, die op zoek gaan naar de antwoorden op maatschappelijke vragen als hoe je armoede moet bestrijden. Voor de veldwerkers, de mensen die hun economische kennis inzetten om daadwerkelijk naar oplossingen te zoeken. Voor de ‘goede economen’, zoals zij het noemt.

Drie weken na de toekenning van de prijs is de 47-jarige Duflo op tournee. Om over de prijs te spreken, maar ook, of vooral, om een nieuw boek te promoten dat ze samen met Banerjee publiceerde: Good Economics for Hard Times (vrij vertaald: Goede Economie in Barre Tijden).

In een Utrechts hotel zit de Française uitgeteld achter een ronde tafel. Die ochtend is ze geland vanuit Londen, waar ze de zondag daarvoor vanuit haar thuisland Amerika naartoe vloog. Haar man, met wie ze in 2015 trouwde, zit thuis. Hij past op hun kinderen. Ze wisselen elkaar af in hun lezingen en tournees.

Duflo klinkt schor en vermoeid aan het begin van het gesprek, dat de start vormt voor twee dagen van lezingen en interviews in Nederland. Maar allengs enthousiaster en energieker vertelt ze over het circus waarin ze op 14 oktober, de dag van de bekendmaking, is terechtgekomen. „Ik heb het nieuws eigenlijk nog steeds niet verwerkt, het was zo’n achtbaan.”

Hoe gaat dat precies, winnen van zo’n Nobelprijs? Je wordt gebeld – en dan?

„Ze belden ons middenin de nacht onze tijd, om 5 over 5. Toen vroegen ze me om me voor te bereiden op een persconferentie een uur later, om 6 uur ’s ochtends. Toen ik die persconferentie deed [Duflo belde in via Skype, red.] zag ik de felicitatiemails binnenstromen.”

Duflo ziet de prijs vooral als kans om haar werk over armoedebestrijding en de bijbehorende maatschappelijke beweging nu eens echt in het middelpunt van de belangstelling te kunnen plaatsen. Met die beweging bedoelt ze de mensen die, net als zijzelf, Banerjee en Kremer, werken met Randomised Control Trials (RCT’s). Die methode wordt veel in de farmaceutische industrie toegepast, om de effectiviteit van medicijnen te toetsen, maar deed pas recent zijn intrede in de ontwikkelingseconomie. Kremer, en later Banerjee en Duflo, hebben hulpprogramma’s opgezet op het gebied van armoedebestrijding, onderwijs en gezondheidszorg aan de hand van zulke testen. Zo kwamen zij er bijvoorbeeld achter dat het niet uitmaakte of je klamboes verkocht of weggaf aan mensen om hen tegen malaria te beschermen. Beide methodes werkten even goed. Veel ‘traditionele’ economen claimden op voorhand dat mensen die betaald hadden voor zo’n net er meer waarde aan zouden hechten en het dus eerder zouden gebruiken.

Die manier van werken staat centraal in het boek Poor Economics (2011) van Banerjee en Duflo. ‘Actie’ is voor het economenpaar het sleutelwoord. De twee richtten in 2003 J-PAL op, het Poverty Action Lab. Het centrum, waaraan zo’n 400 mensen direct of indirect verbonden zijn, is bedoeld om verbinding te maken tussen wetenschap en beleidsmakers.

Lees ook dit artikel over de methode van de Nobelprijswinnaars in de praktijk : Werkt ontwikkelingshulp? Test het als medicijnen

Nu uw werk in de belangstelling staat, klinkt ook kritiek op uw methode. Critici zeggen dat u naar een klein deel van de wereld kijkt, en dat u de grote economische vragen negeert.

„Als zo’n ‘grote’ vraag bijvoorbeeld is of een bepaald land China moet kopiëren om succesvol te zijn, dan heb ik geen antwoord klaar liggen. Ik negeer die vragen niet en ik vind dat mensen vooral moeten proberen dat soort vragen te beantwoorden. Maar als je het beleid wilt beïnvloeden – en het leven van veel mensen – dan moet je beleid evalueren, geen ideeën.”

Wilt u de wereld veranderen?

„Ja. Daarom ben ik economie gaan studeren. Ik heb nooit de ambitie gehad ‘econoom’ te worden. Dat waren mensen die zich bezighielden met bankieren en financiële zaken.”

In hun boek dat deze week verschijnt, verbreden Banerjee en Duflo hun aandachtsveld. Hun manier van denken blijft dezelfde – kijk naar hoe dingen écht werken in plaats van enorme theorieën op te tuigen – maar ditmaal behandelen ze veel meer dan ontwikkelingseconomie. Sterker: ditmaal schuwen ze de grote vragen niet. Het boek gaat onder meer over migratie, handel, ongelijkheid en klimaatverandering. Maar wie op zoek is naar de definitieve antwoorden op elk van die grote vraagstukken, zal die niet letterlijk vinden. De werkelijkheid, zo laten de Nobelprijswinnaars zien, is complex.

Wat dreef u ertoe over te stappen van armoede naar thema’s als handel, migratie en klimaat?

„Ik had eigenlijk niet verwacht dat we na Poor Economics nog een boek zouden schrijven. Maar in 2016 zagen we de opkomst van het populisme overal en ergerden we ons aan het feitenvrije debat dat over veel thema’s werd gevoerd. Toen viel ons op dat eigenlijk helemaal niemand luisterde naar economen, en dat het vertrouwen in economen heel laag was. Alleen politici worden nóg minder vertrouwd. Terwijl veel dingen waar mensen zich zorgen over maken – van migratie tot klimaat, tot handel – economische aspecten in zich dragen.”

Hebben economen die slechte reputatie aan zichzelf te danken?

„In zekere zin wel. Veel van de economen die het beste onderzoek doen, hebben besloten het huidige debat ‘uit te zitten’. Degenen die zichzelf op tv wél presenteren als econoom, zijn vaak de hoofdeconomen van een bank. Hij of zij – meestal is het een hij – spreekt dan vanuit een vorm van eigenbelang: het systeem houden zoals het is. Vanzelfsprekend worden mensen daar niet enthousiast van. En bovendien zie je economen op tv vaak voorspellingen doen. Maar daar zijn economen juist vreselijk slecht in.

„Maar er zijn óók economen die stilletjes in hun kantoren zitten te werken en die licht kunnen werpen op de kwesties van dit moment. We proberen een deel van het terrein terug te winnen voor de beroepsgroep, in al zijn diversiteit en in al zijn nederigheid.”

Welke rode draden heeft u ontdekt bij die grote vragen van deze tijd: migratie, handel, klimaat?

„Één van die rode draden is: het effect van financiële prikkels wordt stelselmatig overgewaardeerd. Mensen worden zeker niet alleen gedreven door financiële motieven. En dat heeft consequenties. Mensen stoppen bijvoorbeeld niet zomaar met werken als je meer belasting gaat heffen. En armen stoppen niet zomaar met werken als hun een basaal niveau van bestaanszekerheid wordt geboden.

„Het is moeilijk om mensen op andere ideeën te brengen over de effecten van financiële prikkels. Mensen zijn ook veel minder dan gedacht geneigd om te verhuizen als hun baan verdwijnt vanwege goedkope concurrentie uit het buitenland. Niet naar een andere plaats, en evenmin naar een andere sector.

„Dat betekent dat aanpassingen door liberalisering van de handel veel kostbaarder zijn dan je zou denken. Dat mensen veel directer worden geraakt dan we dachten. Dat is iets wat we volledig, vollédig hebben genegeerd – tot tamelijk recent. Onderzoek laat verder zien dat ook arme mensen niet zomaar hun gemeenschap verlaten. Dat betekent dat een ‘vloedgolf’ van migratie niet zo erg waarschijnlijk is.”

Is deze vaststelling het einde van de ‘homo economicus’?

„Als je de homo economicus definieert als honderd procent rationeel, puur gedreven door financiële motieven, gedreven om altijd zijn consumptie te vergroten, dan: ja, zeker. Maar ik denk dat we een homo economicus kunnen hebben die iets complexer is.”

Over klimaatverandering zegt u: mensen kunnen ook zachtjes naar ander gedrag worden geduwd. U vindt de prijsprikkel van een CO2-belasting niet genoeg, en zelfs problematisch.

„Sommige economen denken aan een win-win: als we maar genoeg investeren, groeien we harder én worden we groener. Ik hoop dat ze gelijk hebben, maar ik denk niet dat we daarvan uit kunnen gaan. Als we klimaatverandering willen tegengaan – en ik denk dat we dat écht moeten willen – is de kans groot dat we minder moeten gaan consumeren. Niet alleen efficiënter, maar ook echt minder. Dat lijkt een onmogelijke opgave, omdat de mens nu eenmaal een gewoontedier is. Maar als ik jouw gedrag een tijdje in een bepaalde richting duw, blijf je daar misschien wel hangen. Denk aan de fietsinfrastructuur hier in Nederland. Mensen raken daaraan gewend.”

„Een CO2-belasting is niet alleen waarschijnlijk onvoldoende, maar ligt politiek ook heel gevoelig. Het heeft de Gele Hesjes-beweging op gang gebracht in Frankrijk. Die heffing werd gezien als manier van de rijken om hun dure oplossingen voor een groene planeet ook op te dringen aan de armen. En het ís waar dat de belasting vooral moet worden opgebracht door mensen die buiten de steden werken en geen toegang hebben tot openbaar vervoer. Je kunt geen CO2-belasting invoeren zonder te letten op de inkomenseffecten.”

U lijkt te bepleiten dat economie een bredere wetenschap zou moeten zijn, dat het ook om sociologie en psychologie gaat.

„Ja. De economie is veel rijker als zij gevoed wordt door de inzichten van andere disciplines. Het vakgebied is te belangrijk om alleen aan economen over te laten.”