De man doet het niet snel goed

M/V Eindelijk is er een generatie mannen die echt bijdraagt aan het huishouden. Kan er dan een bedankje af, in plaats van de beschuldiging dat we seksist zijn, vraagt Arjen van Veelen zich af.

Illustratie Martien ter Veen

Ik had het natuurlijk kunnen horen aan de manier waarop ze de vaatwasser soms uitruimt. De wijnglazen tingelen dan vervaarlijk, het kinderbestek en het keukenmes kletteren net iets te schel in de la.

Het is het geluid van stille woede, een voorzichtige vorm van smijten met servies.

Maar dat snap ik nu pas – nadat de bom is ontploft.

Dat gebeurde tijdens een weekend, afgelopen voorjaar, met het gezin naar het Limburgse Gulpen. We vierden dat de jongste één werd. Ik was brak, want de avond ervoor met vrienden uitgeweest. Zij had – zoals vrijwel altijd – de weekendtas voor de kinderen gepakt.

Het regende het hele weekend, overal heimwee – kortom, drama.

In de auto terug hadden we het over de taakverdeling in ons huishouden. Althans, zij begon erover. Ze vond dat ik te weinig deed; ik vond dat nog wel meevallen. Ik somde al mijn klusjes op, ook degene die ze heel misschien over het hoofd had gezien, zoals dat ik houtlijm had gekocht om het kinderbedje te repareren, en die ene keer – enfin, ze was niet onder de indruk en we hanteerden bovendien totaal verschillende puntensystemen.

Om er maar vanaf te zijn, zei ik toen tegen de zwiepende ruitenwissers: „Joh, dan doe ík voortaan toch de was en de onlineboodschappen.”

En daar had ik het bij moeten laten, natuurlijk. Maar ik flapte er iets uit.

„Zoveel werk is dat toch niet.”

Wat er toen in haar hoofd gebeurde zou ze later omschrijven als een kernexplosie. Ik zette de auto stil.

De dag ging later de annalen in als de Slag bij Gulpen. En sinds die dag – het oudste kind was al drie – begon ik te snappen wat haar dwarszat, al die jaren.

En dat het nu echt menens was. Niets maakt zo ziedend als werk moeten doen dat niemand ziet.

Ze bleek zeker niet de enige met opgekropte teleurstelling over het huishouden, over hoe het leven liep. Er zong afgelopen zomer een boek rond onder werkende vrouwen: All the Rage: Mothers, Fathers, and the Myth of Equal Partnership, van de Amerikaanse psycholoog Darcy Lockman. Het ging over vrouwen die zich er ingeluisd voelen door hun mannen. Voorgelogen. Allemaal jonge moeders die opgroeiden in tamelijk traditionele gezinnen, met moeders die kookten.

‘Jij zult het beter hebben dan ik”, fluisterden die moeders hun dochters in. En, jawel hoor, ze werden verliefd op leuke, vooruitstrevende kerels die zelf ook vonden dat alles fiftyfifty moest zijn – ‘natúúrlijk, lief’. Maar toen kwamen er kinderen. En ontpopten al die mannen zich tot primitieve patriarchen.

Koude kermis van jewelste. Hun was een makkelijker leven beloofd.

Oké, hun mannen bleken niet compléét nutteloos. Ze deden meer dan hun vaders. Maar ze voelden zich al gauw een superheld na het verschonen van één symbolische luier.

Haar eigen man, schrijft Lockman, ging bijvoorbeeld doodleuk elke avond naar de sportschool, om stoom af te blazen van zijn werk. Zat zij thuis met de baby.

„Ik voelde me een tweederangsburger in mijn eigen huis”, bekent Lockman. Moderne mannen zijn in haar ogen gewoon goed gecamoufleerde seksisten.

Tijdens het lezen voelde ik me betrapt: het boek was onthutsend herkenbaar. Ik ben precies zo’n hippe, achterlijke man. Die fiftyfifty belooft, maar veel minder doet. Ik kom nauwelijks tot 40 procent. En daarmee ben ik heel gemiddeld, aldus het vijfjaarlijkse Tijdsbestedingsonderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Ik heb er nooit bij stil gestaan dat de nagels van m’n kinderen ook moeten geknipt. Laat staan dat ik ze een keer heb geknipt. Als het aan mij lag, zouden ze er uitzien als kleine Scissorhandjes.

Mannen komen niet weg met het excuus dat vrouwen biologisch gezien beter voor kinderen zouden kunnen zorgen. Lockman maakt gehakt van die smoesjes (met veertig pagina’s aan voetnoten). Ik bleek ook precies dezelfde smoezen te gebruiken als alle andere mannen.

‘Maar je geeft me de kans niet om iets te doen, want dan heb jij het al gedaan.’

‘Maar mijn pijngrens voor rommel ligt gewoon hoger.’

Maar, maar, maar.

Dit is kennelijk de stand in de 21ste eeuw, dacht ik beschaamd: vrouwen zijn aan het jongleren met gezin en werk, mannen vangen heus af en toe een bal op – als hun vrouw hun die toegooit – maar zelden bieden ze zelf aan om dat jongleren over te nemen.

Sterker, ze sputteren tegen als kleuters.

Mannen zijn nog koningen, ja, maar van razendsnel krimpende rijkjes

Ik herkende die tactiek: een simpel verzoek om de was te doen opvatten als een persoonlijke krenking, waarover je als een Bokito zoveel stampei maakt, dat zij denkt: ik doe het zelf wel, kost me minder energie en zo red ik de sfeer tenminste (de sfeer redden, ook al haar verantwoordelijkheid).

Zo kwam het dus dat ze zo ostentatief de vaatwasser stond uit te ruimen. Nu snapte ik haar furie. En nu zou het een fijn sprookje zijn als ik sindsdien dat jongleren had overgenomen – als ik bijvoorbeeld, as we speak, aan het bellen was om een plek te regelen voor de naschoolse opvang, zodat we straks, als de oudste over een paar maanden naar school gaat, niet opeens een probleem hebben; in plaats van dat ik nu dit stuk schrijf.

Maar dit is dus geen sprookje. Dit is hoe het in het echt gaat.

In het echte leven ben ik als man evengoed vaak boos over de taakverdeling. In het echte leven vind ik helemaal niet dat ik te weinig doe. Eerder te veel. Ja, in het echte leven voel ik mij ook vaak ongezien. Wat nu volgt is niet bedoeld als smoes; ik wil alleen laten zien wat er in mijn hoofd omgaat als ik soms hard tegen een wasmand aanschop.

Punt is dat ik evengoed ben voorgelogen. De generatie van mijn vader las na het werk de krant op de bank. Dat schept verwachtingen. Vergis je niet. Nog lang na de emancipatoire jaren zestig bleven veel mannen achterlijk. Neem de rolmodellen uit mijn eigen beroep, de schrijvers. Slechts twintig jaar terug, toen ik opgroeide, waren types als Mulisch en Wolkers of Karel van het Reve de absolute top. Stuk voor stuk gevierde mannen met gedienstige vrouwen die op z’n best muze waren, maar in feite sloofjes voor hun pijprokende genie.

Leek me ook mooi. Schrijven. Pijproken. Nooit de was doen. Wist ik veel? Maar misschien snap je dat vergeleken bij zo’n leven elke verschoonde luier nu aanvoelt als een nederlaag.

Ook mannen kennen koude kermissen en valse beloften. Maar ondanks die achterlijke voorbeelden maakte mijn generatie een reuzensprong. In 1975 deden Nederlandse mannen slechts een kwart van het huishouden. Wij doen al 40 procent. In geen andere periode in de geschiedenis van de mensheid gaven mannen zo veel territorium prijs als in de afgelopen tientallen jaren.

Ze zijn nog koningen, ja, maar van razendsnel krimpende rijkjes. Want dit is het eerlijke verhaal: er is geen winst voor vrouwen zonder verlies bij mannen. Voor elke vrouwelijke hoogleraar of ceo moet er een man geofferd, die luiers gaat verschonen. Je kunt niet alles uitbesteden aan au pairs of schoonmaakrobots: het huishouden is een zero sum game.

Tuurlijk, luiers verschonen heeft zo zijn charme. En er is wetenschappelijk bewijs voor het feit dat mannen die thuis meer doen ook betere seks hebben. Maar laat je niet afleiden: gelijkheid voor vrouwen = statusverlies voor de man.

Ondanks die hoge prijs dus, zijn mannen meer wasjes gaan draaien. En daarbij liepen ze het risico te worden uitgelachen, door mannen zowel als vrouwen. Want Nederland is een aartsconservatief land. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de praktijk van vaderschapsverlof: ook bij hippe bedrijven mag papa dat zelf ophoesten. En het blijkt uit schokkend onderzoek: een meerderheid van de Nederlanders vindt bijvoorbeeld dat je je kinderen schade toebrengt als je ze naar de crèche brengt, aldus het SCP.

En een mama die meer werkt dan papa? „Vrijwel niemand” uit het SCP-rapport vindt dat oké.

Nee, verkijk je niet op dat handjevol Amsterdamse hipsterpapa’s die met baby’s op hun buik langs terrasjes flaneren op hun papadag. Alleen dat woord ‘papadag’ geeft bovendien al aan dat mama de norm is.

Dus ik vat de geschiedenis even samen. Duizenden jaren lang lang was de vrouw minderwaardig. In de afgelopen decennia maakten mannen plotseling een reuzensprong, tegen de stroom in, geheel op eigen conto. En nu hebben ze nauwelijks nog tijd om, zoals hun vaders, rustig de krant te lezen. Maar stel dat ze die eens openslaan, dan lezen ze dat de man op zijn retour is en bovendien een seksistische boeman.

Zelfs hun heldendaad – die reuzensprong – wordt hun afgenomen.

„De schijnbetrokkenheid van de man in het gezin”, luidt bijvoorbeeld de kop boven een interessant essay van Volkskrantjournalist Anna van den Breemer. Ze heeft gelukkig oog voor de goede bedoelingen van de man. Maar toch is ook hier de strekking: z’n idealen matchen niet met de praktijk. Ze houdt zelfs een week lang in een Excelbestandje bij wat hij allemaal aan taakjes doet.

Spaar me je medailles, denk ik dan, maar stank voor dank is ook weer zo wat.

Of nou ja, eigenlijk wil ik wel een medaille. Want nu voel ik me soms als een Saoedische kroonprins die troonsafstand deed en terwijl hij vrijwillig de wc schrobt alsnog op z’n donder krijgt van ‘hé, daar zit nog een vlekje’.

En als ik diep in mijn ziel kijk, is precies dit de tere snaar waardoor ik zelf soms ook ziedend de was sta te doen.

„Ik hoor bij de top-1-procent van de mannen, wat betreft meedoen in het huishouden”, zei ik thuis eens in een pathetische bui, „maar waarschijnlijk ook bij de top-1-procent die de meeste kritiek krijgt.”

Ik laat de exacte percentages even voor wat ze zijn, we hebben het hier per slot van rekening niet over een corveerooster, maar over een cultuurstrijd. Het gaat om het sentiment. Want net als gevoelstemperatuur bestaat er ook gevoelshuishouden. En voor veel mannen geldt dat als ze 40 procent van het huishouden doen, dat aanvoelt als ruim 50 procent. Niet omdat ze slecht tellen. Maar omdat mannen hun werklast nu eenmaal niet met die van hun partner vergelijken, maar met die van andere mannen. Bijvoorbeeld hun vader. En dan zien ze dat ze véél meer doen.

Precies hier zit het misverstand dat ‘Gulpen’ zo licht ontvlambaar maakte. We vonden allebei dat de ander geen oog had voor hoeveel we wel niet deden. En we hadden allebei vermoedelijk gelijk.

De strijd der seksen is eeuwig, maar dit is een unieke tijd. Waarin mannen vrij plots veel meer zijn gaan doen dan hun vaders. En waarin vrouwen veel minder krijgen dan hun was beloofd. Recept voor gefnuikte verwachtingen.

Een meerderheid van de stellen vindt dat het huishouden eerlijk verdeeld moet worden, aldus de Emancipatiemonitor van het SCP uit 2018. Maar in de praktijk lukt dat bij slechts één op de tien.

Maar bedenk hoe mooi het is dat de meeste mannen fiftyfifty als ideaal nastreven. Zijn ze dan allemaal hypocriete zakkenwassers dat het niet lukt? Er is een betere verklaring: dat het verschrikkelijk lastig is om een duizenden jaren oud patroon in een paar generaties uit te wissen.

We zitten midden in de huiselijke variant van een Israël-Palestina-conflict en zoiets los je niet zomaar op met een to-dolijstje op de koelkast of met een extra pakketje vaderschapsverlof. We zijn allemaal voorgelogen, mannen evengoed als vrouwen. Ik merk het thuis, aan hoe mijn geliefde ‘dankjewel’ zegt als ze thuiskomt en ik een wasje blijk te hebben gedraaid – alsof dat een gunst is.

Sterker, samen liegen we weer onze kinderen voor. We lezen bijvoorbeeld voor uit Jip en Janneke: steeds staat mama in de keuken en is papa in pak. In het enige boek waarin een papa de was doet, gaat dat vervolgens helemaal mis – domme, domme papa!

We vechten, denk ik, dezelfde strijd.

Het gaat veel slechter met de man dan met de vrouw. Zou het beter gaan als hem het aloude stereotype niet meer zou worden opgelegd?

Na de Slag van Gulpen volgde de vrede van Rotterdam. Die duurt gelukkig nog altijd voort. Maar de vrede is broos – we zijn het er bijvoorbeeld niet over eens waarom er nu vrede heerst.

„Omdat jij nu meer doet”, zegt ze.

„Omdat de kinderen nu ’s nachts doorslapen, we zijn gewoon energieker”, is mijn theorie.

Ik denk dat zij gelijk heeft, maar dat ga ik hier niet opschrijven, dat verzwakt mijn onderhandelingspositie. En de strijd zal heus nog wel eens opvlammen.

Maar je moet deze oorlog niet zo persoonlijk nemen, heb ik geleerd. We ruziën gewoon de ruzie van deze tijd. En iedere schop tegen de wasmand brengt ons dichter bij het beloofde land.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.