Foto Ron Steenvoorden

Ooit was ‘Mr. Whisky’ een jongetje uit Islay met een gat in zijn schoen

Whisky Jim McEwan (71) werkt al meer dan vijftig jaar in de whiskybusiness in Schotland. Hij reist de wereld over om zijn kennis te delen. „Ik keek uit over Tokio met ’s werelds duurste whisky in mijn hand.”

‘Ik weet niet waarom God ons whisky heeft geschonken, maar ik ben blij dat hij voor de Schotten koos.” Meester-distilleerder Jim McEwan (71), stevig postuur, blakend gezicht, zit aan de keukentafel in zijn huis op het Schotse Islay. Als hij over de single malt whisky van zijn eiland vertelt – beroemd vanwege de rokerige turfsmaak – lijkt de rest van de wereld stil te vallen. Niet zo gek, meent hij, want whisky gaat over ‘passie’ en ‘verhalen’. „Met welke turf is de gerst gedroogd? Proef je het zout van de zee in het distillaat? In welk vat is de whisky opgeslagen?” Met een goed verhaal kan je iedereen warm maken voor whisky, meent hij. Hij schenkt een glas thee in en houdt het omhoog. „Kijk eens, hier hebben we een 12 jaar oude Bruichladdich, gerijpt in een bourbonvat, gedistilleerd door blinde maagden op een dinsdag in oktober 1948.” Hij grinnikt. „Werkelijk, je kunt mensen echt van alles op de mouw spelden.”

McEwan, ook bekend als ‘Mr. Whisky’, zit al meer dan vijftig jaar in het vak. Niet alleen op Islay, waar de single malt whisky wordt geproduceerd door eeuwenoude distilleerderijen als Bowmore, Bruichladdich en Ardbeg, maar ook daarbuiten is hij een bekendheid. Meerdere keren werd hij uitgeroepen tot ‘Distiller of the Year’ en nog steeds reist hij de wereld over om zijn kennis over Islay malt whisky te delen. Voor Bruichladdich ontwikkelde hij een speciaal distillaat: The Botanist Gin. En recentelijk werkte hij mee aan twee documentaires over whisky, A Golden Dream en The Water of Life.

Toch is het succes hem niet komen aanwaaien – vooral zijn kromgetrokken vingers verraden een zware jeugd. „Ik kom uit een arm, gebroken gezin. Ik werd opgevoed door mijn moeder en oma. Al vanaf mijn twaalfde moest ik na schooltijd aan het werk.” Zijn eerste baantje kreeg hij in 1963, toen hij bij distilleerderij Bowmore aan de slag mocht als leerling-kuiper. „Ik repareerde whiskyvaten, maakte ze klaar voor de scheepvaart naar Glasgow.” Zwaar werk, vertelt hij. „IJzeren hoepels kromtrekken, vaten dichten, dat is niet goed voor je gewrichten.” Bij Bowmore leerde hij ondertussen alles over het vak: van het gisten van het moutbeslag tot het stoken en rijpen van whisky in sherry-, port- en bourbonvaten. Dat laatste is belangrijk, zegt hij op samenzweerderige toon. „Je moet het zo zien: de drank is het kind, het vat de moeder. Als de moeder geen melk heeft, sterft het kind. Heb je een briljante whisky, maar de fut is uit het vat, dan krijg je geen goed product.”

Binnen Bowmore wist hij zich snel op te werken, zegt hij. Op zijn tweeëntwintigste werd hij keldermeester, een positie die hij behield tot hij in 1976 de kans kreeg om bij een whiskybedrijf in Glasgow een opleiding te volgen tot meester-blender. „Dagelijks kwamen de vrachtwagens met whisky binnenrijden, uit alle delen van het land. Ik moest de goede van de slechte whisky onderscheiden. Dat deed je door te ruiken, eindeloos ruiken, wel duizenden keren.” Hij doet alsof hij de kurk uit een vat haalt en trekt een gelukzalig gezicht. „Mijn god! Mortlach en Longmore, dát waren nog eens whisky’s. Die kwamen uit de noordelijke distilleerderijen. Daar begreep men het vak!” Drie jaar lang mengde hij goedkopere graanwhisky’s met de duurdere single malt whisky’s. „Ik zocht naar de perfecte blend. Zo’n bestelling ging dan om 20.000 flessen, voor 20 pond per stuk. Het moest lekker zijn, maar niet te prijzig.”

Hij werd manager bij een whiskybedrijf in Glasgow, maar in 1986 vroeg Bowmore hem terug te keren als productiedirecteur. Hij sprong een gat in de lucht. „Are you kidding me? Het voelde alsof ik de World Cup had gewonnen.” Bij aankomst bleek de situatie anders dan verwacht. „De plek was smerig en vervallen. De stookketels hadden kuren, werkelijk alles was stuk.”

In die periode daalde wereldwijd de verkoop van single malt whisky’s en meerdere distilleerderijen op het eiland kampten met financiële problemen. „Ik moest mensen ontslaan, echt lastig op een eiland waar iedereen elkaar kent.” Hij bleef over met een team van dertig man. „Allemaal gedreven mensen. We hadden kennis in huis, werkten goed samen en begonnen prijzen te winnen.”

Foto Ron Steenvoorden

En toen, het was 1994, kwam er een telefoontje. „Het was de voorzitter van de raad van bestuur. Hij zei: ‘Jim. Er komt een speciale gast. Weet je een plek waar helikopters kunnen landen?’” McEwan regelde dat het sportveldje naast de lagere school van zijn dochters, als landingsplaats kon dienen. „Het had de paus kunnen zijn, geen idee wie er zou komen.”

Toen even later de helikopters waren geland, klom er een keurige Japanse heer uit, gevolgd door een traditioneel geklede Japanse dame. „De voorzitter fluisterde tegen mij: ‘Jim. This is a big deal. Vandaag verkopen we ons bedrijf aan Suntory.’ Ik schrok me een ongeluk. Ik dacht: Jij, Judas! Verkoopt je ons aan de Japanners?”

De man die voor hen stond was Shinichiro Torii, de president van een van de grootste producenten van bier en sterke drank in Japan en kleinzoon van de oprichter Shinjiro Torii. „Op Islay was nog nooit een distilleerderij door een Aziatische multinational overgenomen. Ik vreesde het ergste, straks gingen ze ons product namaken en voor de helft van de prijs verkopen.” Toch schudde McEwan de Japanse directeur en zijn vrouw de hand en zei beleefd: ‘Welkom op ons eiland’. „Wat kon ik anders doen? Ik had kunnen zeggen piss off! Maar dat deed ik natuurlijk niet.” Terwijl hij daar zenuwachtig stond te zijn, renden zijn twee dochters van zes en acht op hem af. „Ik probeerde ze van me af te schudden, maar mevrouw Torii boog zich voorover en ging met ze in gesprek. Ik hoorde mijn dochter zeggen: ‘Mijn naam is Lesley McEwan, en ik heb een paard dat Oliver heet.’ En mijn andere dochter zei: ‘Ik ben Lynne en ik zit in een Gaelic choir. Ik kan goed zingen’.” Hij schudt zijn hoofd en barst in lachen uit. „Ik dacht alleen maar: kinderen, ga weg, niet nu! Want ik hield mijn hart vast. Wat waren de consequenties voor ons bedrijf?”

Die dag werden de papieren getekend en was de overdracht officieel. Maar al snel bleek dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. „Integendeel. Nog geen zes maanden later kwam er een medewerker van Suntory langs met een notitieblok. Hij vroeg: ‘Meneer Jim, wat heeft u nodig?’ Ik begon hem van alles aan te wijzen. Dat de gistingsvaten uiteen vielen. Dat we een nieuwe distilleerketel nodig hadden. Dat het dak lekte. De man noteerde alles en niet veel later werd het allemaal geregeld.” Ook aan de bedrijfsvoering veranderde niets. „Ik mocht precies doen wat ik wilde.”

Bowmore floreerde en McEwan begon steeds vaker te reizen om de beroemde Islay whisky in het buitenland te promoten. „Soms was ik wel 36 weken per jaar op pad, vooral in Azië begon de markt rond 2005 te groeien. Ik ben een van de eersten die de Islay whisky heeft geïntroduceerd in Zuid-Korea en Taiwan. Daar kenden ze die turfsmaak helemaal niet. Nu zijn ze er dol op.”

Drie jaar na de overname door Suntory [nu Beam Suntory, red.] werd McEwan door Torii uitgenodigd op het hoofdkantoor in Tokio. „Ik was te vroeg en moest beneden op hem wachten. Toen hij arriveerde, zag ik hoe alle liften op de begane grond stonden. Alle werknemers moesten voorovergebogen voor hun computers zitten.” Hij werd verwelkomd in het kantoor op de bovenste verdieping. „Torii schudde mij de hand en complimenteerde me met mijn werk.” En toen…” McEwan haalt even diep adem. „Toen vroeg hij: Heeft Lesley nog steeds dat paard Oliver? En zingt Lynne nog steeds in een koor?’” McEwan slaat met zijn vuist op tafel. „Dat noem ik nog eens respect! Die man moet drie jaar daarvoor hebben gehoord wat mijn dochters vertelden en hebben gedacht: ‘Dit moet dit onthouden.’” En dat was nog niet alles, zegt McEwan, want de president vroeg hem of hij zich de dag van de overdracht herinnerde. „Hij zei: weet je nog dat ik toen een fles Black Bowmore, No. 1, uit 1964 kreeg?’” McEwan schudt in ongeloof zijn hoofd. „Dat is een van de beste en duurste whisky’s ooit. Uniek. Maar Torii zei: ‘Jim. Als ik het goed heb, heb jij deze whisky zelf nog in het vat gedaan.’ Dat bevestigde ik. Destijds was ik 16 jaar.” Tot zijn verbazing vroeg Torii hem de fles te openen en het eerste glas te drinken. „Ik weigerde, maar hij stond erop.” Torii moest naar een afspraak en vertrok en even later stond McEwan alleen in de privébar van de president. „Ik opende de fles en schonk wat in een glas. Toen stond ik daar. Ik keek uit over Tokio met ’s werelds duurste whisky in mijn hand en ik dacht: ooit was ik een jongetje uit Islay met een gat in zijn schoen, hoe ben ik hier terechtgekomen?”

Inmiddels werkt hij al jaren voor zichzelf. Het gaat goed met de single malt whisky. Islay floreert, de afgelopen jaren zijn er zelfs distilleerderijen op het eiland bijgekomen, waaronder Kilchoman en Ardnahoe. Hoe kan het dat op zo’n klein eiland nog plek is voor nieuwkomers? „De markt groeit. Niet alleen in Azië maar ook in Zuid-Amerika is single malt whisky populair. Mensen beginnen het product te waarderen.” Hij lacht even. „Wat ik al eerder zei: verhalen vertellen, daar gaat het om. Jezus deed het met twaalf volgelingen, en hij had geen tv of YouTube. Nu ben ik er om verhalen te vertellen: over whisky.”