Recensie

Recensie Boeken

Vereenvoudig de ander niet tot een monster, waarschuwde Karel Capek in 1933

Karel Capek In zijn trilogie over het menselijk weten laat de Tsjech zien dat de ervaren werkelijkheid complexer is dan we beseffen, en tot onrecht kan leiden.

Het lijkt erop dat de Tsjechische schrijver Karel Capek (1890-1938) zijn lezers probeerde te waarschuwen, met Hordubal. Daar was ook alle reden toe. Hij schreef de roman in 1933, toen het nationaal-socialisme in Europa gestaag aan populariteit begon te winnen, een ontwikkeling die de schrijver, uitgesproken anti-fascist, sterk verontrustte. In Hordubal laat Capek zien hoe riskant het kan zijn wanneer een groep mensen zich laat leiden door onderbuikgevoelens. Hij toont hoe een collectieve irrationaliteit een menigte in zijn greep kan krijgen – en de fatale gevolgen daarvan. We weten inmiddels dat Capeks boodschap in de jaren die op de publicatie volgden maar al te adequaat zou blijken. Gedateerd is die boodschap echter niet; de macht die irrationele drijfveren kunnen uitoefenen op een massa is van alle tijden. Het is een waarschuwing die, lijkt me, ook in 2019 geen kwaad kan.

Hordubal is het eerste deel van Capeks ‘noëtische trilogie’; zijn drieluik over het menselijk weten. De andere twee delen (Meteoor en Een doodgewoon leven) werden in respectievelijk 2017 en 2008 al vertaald, net als nu door Irma Pieper, wier sprankelende vertalingen de indruk wekken dat het om recent werk gaat: zeer geestige timing, uit het leven gegrepen dialogen, zinnetjes die erom smeken hardop uitgesproken te worden (theatermakers, grijp uw kans!). De drie boeken zijn trouwens uitstekend los van elkaar te lezen; het is alleen de thematiek die ze met elkaar gemeen hebben.

Het verhaal van dit eerste deel start kalm, met het goedmoedige personage Juraj Hordubal. Acht jaar lang heeft hij zich kromgewerkt (letterlijk: zijn rug is eraan) in een mijn in Amerika, maar nu, eindelijk, is hij op weg naar huis, naar Tsjechië. Naar Polana, zijn mooie, jonge vrouw naar wie hij acht jaar lang iedere dag heeft verlangd, en naar zijn dochtertje Hafia, dat drie was toen hij vertrok, dus inmiddels alweer elf. O, wat verheugt hij zich! Hij stelt zich voor wat Polana met het geld dat hij haar toestuurde gekocht heeft (een paar koeien, dat zeker, misschien zelfs een os), hij ziet voor zich hoe de tranen van geluk haar over de wangen stromen zodra hij op het erf verschijnt. De lezer houdt z’n hart vast, en inderdaad: het loopt allemaal een beetje anders.

Met de knecht slapen

Er staan paarden in zijn stal. Juraj heeft niks met paarden. De kleine Hafia is bang voor hem. Polana raakt hem met geen vinger aan, staat daar maar, ‘recht als een paal’. Ze heeft een knecht in dienst genomen, een zekere Štepán Manya, die het hele boerenbedrijf lijkt te hebben overgenomen. De vent blijkt zelfs Jurajs zelf geploegde akkers te hebben verkocht; ‘een en al steen’. En met de dorpsbewoners is ook al zoiets geks, die doen net alsof ze hem niet herkennen.

Illustratie Bart Nijstad

Met Juraj Hordubal schiep Capek een buitengewoon innemend personage; door zijn goeiige inborst zowel grappig als tragisch. Hij doet een beetje denken aan de protagonisten van Capeks tijdgenoot Robert Walser: onschuldig als een klein kind, altijd bereid om het gedrag van anderen zo optimistisch mogelijk te interpreteren. Capek vertelt het eerste deel van de roman (ook Hordubal zelf bestaat uit drie delen) vanuit het perspectief van de teruggekeerde boer. Het zijn dus zijn indrukken waar je het als lezer mee moet doen, maar je voelt wel aan dat je zijn blik op de werkelijkheid met een korreltje zout moet nemen. Zo rijst het vermoeden al vrij snel (niet bij Hordubal, wel bij de lezer) dat Polana en de knecht het bed delen. Is Polana trouwens echt zo’n beeldschone, jonge vrouw, of is dat alleen hoe Hordubal haar ziet? Wat zeker is: Juraj is een stuk minder welkom dan hij zelf wil geloven.

Zo stipt Capek al in dit deel aan waar het hem in zijn hele trilogie om te doen is: dat de werkelijkheid zoals we die ervaren nooit samenvalt met de ‘objectieve werkelijkheid’, aangezien onze perceptie in sterke mate onze waarneming kleurt. Capek was een aanhanger van het ‘epistemologisch perspectivisme’, een stroming in de kennistheorie waar hij in zijn nawoord op terugkomt. Hij bestrijdt niet dat er sprake is van een waarheid, maar die waarheid is volgens hem niet absoluut, maar ‘meerstemmig’; zo kan Polana tegelijkertijd bloedmooi én oerlelijk zijn, afhankelijk van de perceptie van de persoon die het oordeel velt.

Overspel

Maar dat is nog maar het eerste deel, en Hordubal bestaat dus uit drie delen. Uit Capeks nawoord blijkt dat het de schrijver vooral om die laatste twee delen te doen was.

Juraj Hordubal is dood. Vermoord. In deel twee proberen twee agenten te reconstrueren hoe die moord gepleegd werd en met welk motief, het derde deel speelt zich af in de rechtbank, waar men een moreel oordeel over Hordubals lot probeert te vellen. ‘Zijn ware en bitterste lot is pas datgene wat hem na zijn dood ten deel valt’, schrijft Capek erover, ‘hoe zijn geschiedenis vergroofd raakt in de handen van de mensen; hoe de gebeurtenissen, die hij op zijn manier en volgens zijn innerlijke wet heeft beleefd, stuntelig en onduidelijk worden wanneer de gendarmen deze door middel van hun objectieve onderzoek proberen te reconstrueren; hoe het allemaal wegkwijnt en vastloopt en verdraaid raakt tot een andere, hopeloos lelijke voorstelling van zijn leven.’

Met Hordubal wilde Capek laten zien dat de werkelijkheid, en de mens in het bijzonder, onnoemelijk veel complexer is dan we geneigd zijn te denken, en dat het vereenvoudigen van die werkelijkheid niet alleen de waarheidsvinding in de weg staat, maar ook leidt tot gruwelijk onrecht. Vooral in het derde deel, in de rechtbank, krijgt de roman een sterk moralistisch karakter. Niet gehinderd door enige reserves spuwen de dorpsbewoners hun gal over Jurajs overspelige echtgenote. (‘Als de vrouwlui het voor het zeggen hadden, zouden ze het kreng ophangen.’) Maar wat overheerst in dit deel is niet de irrationele wraaklust van deze meute ten opzichte van de ondoorgrondelijke Polana, maar de harde veroordeling van die irrationaliteit door de auteur zelf.

Monsterlijk gericht

Vergeet niet dat de ander net zo complex, net zo gelaagd en gevoelvol en veelzijdig is als uzelf, drukt Capek zijn lezers op het hart. Laat u niet leiden door sentiment. Weest u ervan bewust dat uw oordeel over de ander minstens zoveel zegt over uzelf; ‘onze ervaring van de wereld en de mensen zou je als onze biecht kunnen beschouwen’. Laat u er niet toe verleiden de ander te vereenvoudigen tot een monster, want het enige waar dat toe kan leiden is een monsterlijk gericht.

‘Het hart van Juraj Hordubal’ (het werd naar een deskundige gestuurd om de doodsoorzaak vast te stellen), ‘is ergens verloren gegaan’, staat er tenslotte, droogjes. Dat zinnetje vat mijn leeservaring treffend samen. Niet alleen verliest ‘de mens Hordubal’ na zijn dood zijn gelaagdheid, zijn menselijkheid, in handen van de andere personages, die in hun reconstructie van de geschiedenis postuum een sullige, domme karikatuur van hem maken – ook de roman zelf verliest na de dood van het hoofdpersonage zijn speelsheid, zijn warmbloedigheid – zijn ‘hart’.

‘We moeten ons bewust zijn van [het] verborgene van de ware mens en zijn innerlijk leven om hem eerlijker tegemoet te kunnen treden’, schrijft Capek in zijn nawoord, ‘of althans meer begrip op te kunnen brengen voor dat wat we niet van hem weten.’ In zekere zin doet de auteur in het tweede en derde deel van Hordubal precies het tegenovergestelde: hij vereenvoudigt zijn personages tot groteske creaturen. Zowel de gendarmes als de dorpsbewoners als de officier van justitie zijn vertegenwoordigers van ideeën, niet langer mensen van vlees en bloed. Ze zijn makkelijk te veroordelen, want niets nodigt uit je met deze oppervlakkig geschetste, vaak nogal ordinaire figuren te identificeren. Synchroon met de menselijkheid lijkt, juist wanneer we aangekomen zijn bij het punt dat de auteur wilde maken, de noodzaak uit de roman weg te lekken.

Optimisme en filantropie

Nee, dan het nawoord. Een paar woorden daarover moet ik nog kwijt, want hier vlamt weer de geestdrift op die het eerste deel van de roman zo’n wervelende energie gaf. Capek begint uit te leggen waar het hem in zijn trilogie om ging, alsof hij zich ervan wil verzekeren dat zijn lezers zijn boeken niet misverstaan, of misschien ook omdat hij – hij heeft het laatste boek net voltooid – maar moeilijk afscheid kan nemen van zijn personages.

Waar Hordubal, door het slot, uiteindelijk een wat pessimistisch, haast misantropisch wereldbeeld uitdraagt, blaakt dit nawoord van optimisme en onverhulde filantropie. Wij mensen beschikken niet over één identiteit, we zijn geen star samenraapsel van eigenschappen, betoogt Capek, nee: ‘de mens is een menigte van werkelijke en mogelijke personen’. Die veelheid aan identiteiten, die ieder mens in zich draagt, maakt ‘ook het meest doodgewone leven nog eindeloos’, jubelt hij; ‘onmetelijk is de waarde van elke ziel’.

Hartstochtelijk, bijna euforisch, leidt zijn betoog tot de conclusie dat eindigheid – van een leven, van zijn trilogie – als je het zo bekijkt, niet bestaat. Dat wil zeggen: wanneer je de oneindigheid niet in het lineaire, niet in de tijd, maar in de verdieping zoekt. De wereld, een mensenleven, zelfs Capeks voltooide drieluik, ze eindigen niet, integendeel: voor wie bereid is ergens met aandacht, met een ontvankelijke blik en zonder vooringenomenheid naar te kijken, zal het zich ontvouwen, zal het zich openen; ‘zo wijd als de mens reikt’.