Opinie

Troost

Ellen Deckwitz

Laatst kwam mijn moeder een dagje langs en zo haalde ik haar samen met mijn jongste neefje (11) op van het station. „Naar welke kledingwinkel wil je het eerst?”, vroeg het neefje omdat hij weet dat zijn oma dol op kleren is.

„Geen”, zei mijn moeder, „Laten we gewoon gaan lunchen.” Een beetje van slag volgde hij ons naar het restaurant. Wanneer hij gaat winkelen met zijn grootmoeder, krijgt hij ook altijd iets.

„Ik heb besloten”, zei mijn moeder boven een dampende mok chocolademelk, „om minder kleding te kopen. Laatst zag ik zo’n documentaire over de plasticsoep, dat die steeds groter wordt en hoe die hele kledingindustrie met al dat productieafval, verpakkingsmateriaal, giftige kunststoffen, plastic vezels en dergelijke, de boel er echt niet beter op maakt. Dan voelt het ronduit slecht om nog kleren te kopen, als je ruim 80 procent van je garderobe zelden draagt. Toen ik mijn kledingkast ging uitmesten, ontdekte ik bovendien dat het grootste deel van mijn kledingstukken op elkaar leek.”

„Waarom kocht je dingen die je al had?”, vroeg mijn neefje.

„Ik denk dat ik gewoon dingen kocht om het kopen zelf. Uit troost.”

Dat moest hij even verwerken. Dat ook grote mensen troost nodig hebben, zelfs zo’n levensveteraan als zijn grootmoeder.

„Eigenlijk is het dubbelop wanneer je kleren koopt om jezelf te troosten”, zei hij na er even over te hebben nagedacht, „Want kleren draag je om het warm te hebben en troost is al een soort warmte.”

‘Precies”, zei mijn moeder, met een blik van ‘dat heeft-ie van mij’, „en daarom denk ik voortaan na waaróm ik iets koop. Meestal heb ik dan eerder behoefte aan een knuffel dan aan een nieuwe trui.”

Die avond ging ik door mijn eigen kledingkast. Meteen zag ik talloze outfits die ik zelden aan had, die ik vermoedelijk alleen maar ter oppepping had aangeschaft. Ik besloot de kleren die ik het afgelopen jaar amper had gedragen naar de kringloopwinkel te brengen. Na drie tassen te hebben volgepropt kroop ik in bed.

Die nacht droomde ik dat ik een waterwezen was dat door een zee aan kledingstukken gleed. Plastic sliertjes kwamen vast te zitten in mijn kieuwen, tot in mijn vinnen zag ik acrylen korreltjes die de haarvaatjes verstopten. Langzaam vollopend met allerhande polymeren en synthetische weefsels zweefde ik langs eenmalig gedragen T-shirts en hemdjes, wegwerppanty’s, eenzame kraaltjes en pailletjes. Dus dit zijn de gevolgen van troost, dacht ik, terwijl ik door die zee aan impulsaankopen dreef. Eén groot hiernamaals waarin stoffen als ijle geesten door de leegte waaieren. Geen warmte meer, alleen nog kunststof. Eén grote zee aan troost waarin geen enkel wezen nog kan ademen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.