Oosterlingen bevolkten oude Rome

Genetische archeologie Een groot deel van de inwoners van Rome in de keizertijd was waarschijnlijk afkomstig uit Griekenland of het Midden-Oosten.

Beeldhouwwerk op de Romeinse zuil van keizer Trajanus, uit het jaar 113: Romeinse soldaten bouwen een kamp.
Beeldhouwwerk op de Romeinse zuil van keizer Trajanus, uit het jaar 113: Romeinse soldaten bouwen een kamp. Foto Getty Images

Uit een grootscheeps dna-onderzoek op oude Romeinse botten blijkt dat de bevolking van de stad Rome in de vroege keizertijd (0-300 n.Chr.) ingrijpend van samenstelling veranderde. Tweederde van de 48 onderzochte skeletten uit die tijd had een dna-signatuur uit het (‘Griekse’) oostelijke Middellandse Zeegebied en het (‘Syrische’) Midden-Oosten. Dat was een grote breuk met de tijd daarvoor, toen die signaturen vrijwel volledig ontbraken. In de late keizertijd en daarna verdween de oostelijke invloed weer.

Dit schrijft een groot team van archeologen en genetici donderdag in Science, op basis van 127 genomen uit 29 begraafplaatsen in en rond Rome, van kort na de ijstijd tot aan het recente verleden. Het betreft een relatief brede doorsnee van de bevolking. In Romeinse necropolissen werden niet alleen elites begraven.

Zoals in vrijwel alle paleogenoomonderzoeken worden ook hier in iedere periode sporen van migratie gevonden. Maar in de keizertijd lijkt die migratie extreem: een ruime meerderheid komt uit het oosten, 32 van de 48 paleogenomen. Uit de periode van voor de keizertijd (900 v.Chr. tot 0) valt daarentegen maar een drietal van de elf onderzochte paleogenomen buiten de te verwachten Europese signatuur. Die bestaat dan overigens ook al uit een menging van een klein beetje oud jager-verzamelaars-dna, een flinke schep Anatolische vroege landbouwers en inmiddels ook circa 30 procent ‘steppe’-dna afkomstig uit een eerdere migratiegolf.

Twee van deze pre-keizertijd-genomen vertonen daarentegen een andere signatuur die ook is teruggevonden in het Armenië van de kopertijd (circa 3000 v.Chr.) En een derde, uit een Etruskisch grafveld, vertoont duidelijk Afrikaanse invloeden: ‘ruim 50 procent laat-neolithisch Marokkaans’. De andere twee onderzochte Etrusken vertonen overigens geen genetisch verschil met mensen uit ‘Latijnse’ graven, zodat een enkele Afrikaanse invloed niet wijst op een bijzondere herkomst van het héle volk der Etrusken, die leefden ten noorden van Rome.

De ingrijpende wijzingen in het gevonden dna-signaturen uit de keizertijd, waarbij nog maar twee van de 48 genomen een (centraal-)Europese signatuur hebben, komen overeen met de historische gegevens. Want van een op zich al grote stad van 100.000 inwoners in de republiek, groeide Rome in de keizertijd tot één miljoen inwoners, als hoofdstad van een rijk over drie continenten, dat liep van de Donau tot de Sahara en van Gibraltar tot de Eufraat. Overal in de stad doken nieuwe tempels op voor oostelijke goden. Grieks werd de tweede taal op inscripties in de stad Rome, maar ook Hebreeuws en Aramees verschenen.

Lees ook: Oude Indiërs bouwden zélf hun landbouwbeschaving op

Helemáál vanzelfsprekend is het hoge aandeel van ‘Grieken’ en ‘Syriërs’ in de ‘Eeuwige Stad’ niet. Want zoals de onderzoekers schrijven, in dezelfde tijd werden uit de westelijke gebieden (Spanje, Gallië, Germanië) veel slaven aangevoerd, en er was ook veel handel. Maar het oostelijke rijksdeel was wel veel dichter bevolkt.

Een duidelijke enkelvoudige herkomst van de ‘oosterlingen’ in Rome is niet vast te stellen, schrijven de onderzoekers, die spreken van ‘een complexe menggebeurtenis’. De nieuwe dna-signaturen in de keizertijd komen overeen met die van de huidige inwoners van Griekenland, Malta, Cyprus en Syrië. Ook zijn er gelijkenissen met Jordaniërs en Libanezen uit de bronstijd. Bij negen paleo-genomen uit de necorpolis Isola Sacra, bij Rome’s haven Portus Romae, bleek uit isotooponderzoek van het botmateriaal dat allen ter plaatse waren opgegroeid, maar hun voorouders kwamen – zo bleek uit het dna – uit het (Griekse) oostelijke Middellandse Zeegebied (vier) het Midden-Oosten (vier) of Europa (één).

In de late keizertijd, als Rome minder belangrijk wordt en het oostelijke deel van het Rijk bestuurd wordt vanuit Constantinopel, verdwijnt de oostelijke invloed weer uit de genomen van de inwoners. De Griekse invloed blijft het langst hangen: een derde van de 24 paleogenomen tussen 300 en 700 vertoont nog een oostelijke mediterrane signatuur, maar de Syrische Midden-Oostensignatuur is al weg. Bijna 70 procent van de stoffelijke resten heeft dan weer een Europese signatuur, vergelijkbaar met de pre-keizertijd, maar met grotere invloed uit Noord- en Centraal-Europa. De onderzoekers vermoeden dat de militaire campagnes van en bezettingen door de Centraal-Europese Visigothen en Vandalen in het vijfde- en zesde-eeuwse Italië hun genetische sporen hebben achtergelaten. Ook is er invloed van de Germaanse Longobarden die toen Rome bestuurden.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Onbehaarde Apen: Onbehaarde Apen: Waarom Rome niet in één dag viel

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.