‘In onze hoofden staat de Muur nog overeind’

Sternberg Dertig jaar geleden viel de Muur, wat het eind van de DDR betekende. Bleef er iets over van de Oost-Duitse identiteit? Nynke van Verschuer, die als kind kort na de Duitse hereniging een paar jaar in de voormalige DDR woonde, reisde terug naar oud-klasgenoten en een oud-lerares.

Nynke van Verschuer (rechts) halverwege de jaren 90 met haar broer op weg naar de basisschool in Sternberg.
Nynke van Verschuer (rechts) halverwege de jaren 90 met haar broer op weg naar de basisschool in Sternberg.

In de zomer ligt Sternberg tussen glooiende, gele akkers vol koolzaad. In de DDR, waar het stadje tot 1990 lag, werd gefluisterd dat de koolzaadolie zou worden verwerkt tot brandstof voor het USSR-ruimteprogramma. Nu is een privaat bedrijf eigenaar van de silo’s aan de rand van het stadje, die bij ongunstige wind een muffe lucht door de straten verspreiden. Niemand die nog denkt dat een raket de ruimte haalt op dat spul.

Van 1992 tot 1998, van mijn vierde tot mijn tiende, woonde ik in Sternberg. In die jaren werd de DDR ontmanteld, staatsbedrijven werden geprivatiseerd, de werkloosheid in Mecklenburg schommelde rond de 18 procent en wakkerde het toch al wijdverbreide alcoholisme aan. Sociale voorzieningen waren met het regime ingestort en werden maar mondjesmaat weer opgetuigd. Het sluimerende neonazisme stak de kop op, gemarkeerd door de aanslag in Rostock-Lichtenhagen op een flat van nieuw aangekomen asielzoekers en gastarbeiders, die door een meute woedende skinheads met molotovcocktails werd bekogeld in de zomer van 1992. Mijn ouders, arts en predikant, verhuisden in februari van dat jaar met kleine kinderen vanuit Tytsjerksteradiel naar Meck-Pomm om de opbouw van de democratie mee te maken. Ik ging, onverschillig voor de politieke aardverschuiving, naar school en vond de kolenkachel heel normaal.

Nu ben ik op zoek naar mijn klasgenoten van toen, voorzover ze er nog wonen, en naar wat er over is van hun Oost-Duitse identiteit. Want hoewel geen van mijn generatiegenoten de DDR bewust heeft meegemaakt, moet hun leven getekend zijn door het zwijgen van een oudere generatie, die had geleerd alles in te slikken uit angst voor de Stasi, door de werkloosheid in de jaren negentig, en door het knagende gevoel steeds te gast te zijn in het herenigde Duitsland.

Koffie van graan in plaats van bonen

Sternberg oogt uitgestorven. Een paar pensionado’s hebben hun intrek genomen in het hotel aan het meer, de Großer Sternberger See. Mecklenburg-Vorpommern is het dunst bevolkte bondsland van Duitsland. Wel is het tegenwoordig een van de populairste binnenlandse vakantiebestemmingen, maar dat geldt meer voor de Oostzeekust dan voor het binnenland met de vele heldere meren.

De bakker aan het plein serveert maltkoffie: zoetige, cafeïnevrije Ost-koffie van graan in plaats van bonen. De vakwerkhuizen rondom het plein zijn stuk voor stuk gerenoveerd, in het oude hotel aan het marktplein zit nu een steakhouse, gespecialiseerd in de ‘Argentijnse- én lokale keuken’. Voor de deur van de bakker houdt een busje van een glazenwasser stil, de bestuurder onderhandelt over een opdracht met een vrouw in een jasschort. De bijrijder hangt uit het raam en trekt verwoed aan een vaper. „Bent u niet Marcel, Marcel Stier?”, vraag ik. „Huh, ja?”

„Ik zat bij u in de klas op de basisschool. Weet u dat nog?”

Ja, hij weet het nog. Als ik zeg dat ik een verhaal maak over Sternberg, zegt hij: „Goh, ja, het middelpunt van de wereldgeschiedenis.”

De baas wil weer door, we wisselen nummers uit. Kort daarna appt Marcel: „Hadden jullie vroeger niet een Nintendo thuis?”

De volgende dag spreken we af op een bankje op het kerkplein. Hij hijst aan zijn elektronische sigaret. Marcel groeide op bij zijn oma, zijn ouders heeft hij nooit gekend. Hij kon moeilijk stilzitten en op onze oude schoolfoto staat hij zo dicht naast de juf dat het eruitziet alsof zij hem met een voor ons onzichtbare hand in het gelid houdt. Marcels grootmoeder stierf toen hij zeventien was. Na een jaar in een pleeggezin raakte hij verslaafd aan drank en drugs. „Een gast uit Saksen kwam hier en bracht alle mogelijke drugs mee.”

Nu is hij acht jaar clean. Hij heeft drie dochters, een ervan ziet hij nooit, de andere twee, zijn „grootste trots”, wonen bij hun moeder. Hij is gesteld op zijn rust. „In de zomer was ik ramen, in de winter word ik ingehuurd om sneeuw te schuiven, als ik geluk heb. Soms schrob ik de binnenkant van de silo’s van de koolzaadveredeling. Echt een hondenbaan. Geen mens die dat wil. Maar goed, ik ben dan ook het zwarte schaap.”

Eén grote ossi-uittocht

De werkloosheid is na een piek in 2004, toen 1,6 miljoen mensen in Oost-Duitsland geen baan hadden – 19 procent – gezakt naar zo’n 7 procent. Maar die cijfers zijn wel wat vertekend, omdat in de afgelopen decennia 3,7 miljoen mensen van oost naar west zijn verhuisd, met name hoogopgeleide jongeren. „Er heeft één grote ossi-uittocht plaatsgevonden”, vertelde Sören Balzer, een andere klasgenoot, de avond tevoren al.

In het archief van de lokale krant vind ik een artikel over Sören Balzer en zijn plannen om een buurthuis op te richten in het dorp waar hij geboren werd, Kobrow, een paar kilometer van Sternberg. In het dorp, niet meer dan een paar straten, drinken drie mannen bier uit blik voor de garage van wat ooit de brandweer moet zijn geweest. Ik vraag naar de familie Balzer. Die woont in het tweede huis rechts, zeggen ze, in het volgende dorp, Kobrow II. Kobrow II bestaat uit één rij huizen, uit de grond gestampt tegenover de schuren en stallen van de ‘Landwirtschaftliche Produktionsgenossenschaften’; het collectieve landbouwbedrijf dat het koolzaad verbouwde en een paar stallen had met varkens.

Sören Balzer doet zelf de deur open.

Hij studeerde sociologie in Rostock en zat daarna jarenlang achter de kassa bij een supermarkt. Ik dacht dat je vroeger biologie wilde studeren, zeg ik, als we met een Radler onder een afdak in de van regen druppende tuin zitten. „Ja, ik was gek op dinosauriërs en droomde ervan paleontoloog worden.” In plaats daarvan is Balzer een typische socioloog die veelvuldig de jonge Marx citeert. Dit najaar begint hij als leraar Duits en wiskunde in Lübeck, net over de grens in Schleswig-Holstein, het vroegere West-Duitsland. Het is een refrein, deze reis: de hogeropgeleiden wonen soms nog in Mecklenburg, of bezoeken er trouw hun familie, maar werken doen ze in de steden net over de oude DDR-grens, in Hamburg, Kiel, Lübeck en Berlijn.

De Duitse overheid probeert werkplekken te creëren in de nieuwe bondslanden, met matig succes. BMW ging, zwaar gesubsidieerd, naar Leipzig. Balzer: „In Schwerin heeft Nestlé net een fabriek neergezet voor Nespresso-cupjes. Maar hoelang zijn die nog in trek, denk je? Nestlé heeft 400 miljoen euro subsidie gekregen om die fabriek daar te bouwen. Er werken 400 mensen. Ja zie je, nu ben ik een typische Jammer-Ossi: altijd maar klagen.”

Wat is er nog meer typisch ossi, vraag ik. „Rechts stemmen, natuurlijk. En jezelf niet goed kunnen verkopen. Dat merk ik vooral bij sollicitatiegesprekken. Vrienden van me hebben het ook. Maar we kunnen goed improviseren. We zijn tevreden met weinig, we waarderen de immateriële dingen meer.” Balzer onderbreekt zichzelf: „Ben je soms op zoek naar de ossi in jezelf?”

Dan moet ik eerst weten wat dé ossi is, zeg ik.

„Nou,” zegt Balzer, „zelfs mensen die na de Wende zijn geboren identificeren zich nog als ossi, dus hij bestaat. Die hele Muur mag wel afgebroken zijn, in onze hoofden staat hij er nog.”

Ook al is die identificatie niet per se zelfgekozen. „Er wordt een ossi van je gemaakt. Als mijn collega’s in het westen in Bild lezen dat hier de pensioenen even hoog zijn als bij hen, zijn ze verontwaardigd. Alsof we niet hetzelfde land zijn. Er is ook een historische, materiële ongelijkheid die lang door zal werken. Ik zal nooit iets erven, mijn ouders hebben geen tijd gehad om iets op te bouwen. Mijn opa kwam hier na de oorlog. Hij bouwde stallen en straten met minimale middelen. Na de Wende kwamen de wessi’s en deden alles over, en alles beter. Daar komt het miskende gevoel van veel ossi’s vandaan.” En nog steeds doen de wessi’s „alles beter”: uit een onderzoek van de universiteit Leipzig uit 2016 blijkt dat ongeveer tweederde van de leidinggevende functies in het voormalige Oost-Duitsland door wessi’s wordt vervuld.

Kütinerstrasse, Sternberg, rond 1995. Twee neefjes uit Nederland (op de trekker) zijn op bezoek bij Nynke van Verschuer (links). Rechts haar zusje.

Eco-nazisme

Een van zijn oma’s, vertelt Balzer, kwam oorspronkelijk uit Stuttgart. Ze verhuisde als jong kind in de jaren twintig met haar ouders naar Mecklenburg met de overtuiging het platteland te moeten bevolken om de cultuur te beschermen tegen werkzoekende boeren uit Polen. „Mijn overgrootvader was een hoofd van de Artamanen. Dat zijn eco-nazi’s van het eerste uur.” De leus van de Artamanen is iets met Blut und Boden, Sonne und Wahrheit. „Rudolf Höss [de latere kampcommandant van Auschwitz, red.] was ook deel van de beweging en kwam in het dorp van mijn grootouders op bezoek. Mijn oma leeft nog, ze verpacht haar land nu aan hedendaagse aanhangers van het eco-nazisme. Rond de zonnewende vieren ze nog altijd de vruchtbaarheid, en hun Duits-zijn. De vrouwen zien eruit alsof ze uit de jaren dertig komen, met lange vlechten en schorten. Ze hijsen een zwarte vlag: die moet wapperen zolang Duitsland nog niet ‘patriottisch’ is. Ik kom er soms, ja. Maar het is zinloos om een gesprek te voeren met mijn grootmoeder.”

De moeder van Balzer haalt een oude klassenfoto tevoorschijn: klas 4b, onder hoede van de immer kordate Frau Bittermann. De klasgenoot die naast mij zit, Andy Laube, is op zijn zeventiende omgekomen bij een auto-ongeluk, vertelt Balzer, op de terugweg van de bioscoop in Schwerin, de hoofdstad van Mecklenburg, vijfentwintig kilometer verderop. Laube en Balzer waren buren, en beste vrienden sinds hij zich kan herinneren. De vader van Balzer overleed een paar jaar later aan een allergische reactie op een wespensteek.

Geen spoor van Ostalgie

Frau Bittermann is met pensioen, en woont in een nieuwe bungalow naar eigen ontwerp aan het meer. Anke Bittermann was lerares Duits en wiskunde en van klas één tot vier (groep drie tot zes) onze mentor. Haar man Willy had een fietsen- en brommerwinkel bij ons in de straat. In de DDR, vertelt hij nu, maakte hij clandestien Trabbi’s uit oude onderdelen om bij te verdienen – geen sinecure, want zelfs Trabant-onderdelen waren op rantsoen.

Anke Bittermann werd in 1944 geboren in Mecklenburg. Haar vader sneuvelde datzelfde jaar op de Krim – althans, daarvandaan stuurde hij de laatste brief aan zijn vrouw. Haar man Willy Bittermann werd geboren in 1938 in Bessarabië, destijds deel van Roemenië. Na het Molotov-Ribbentroppact in 1939 werden alle Duitsers daar teruggehaald naar het moederland, om de weg voor de troepen vrij te maken, en werd Willy Bittermann met zijn moeder en zijn broers twee jaar in een doorgangskamp bij Linz ondergebracht. In 1942 werd het gezin – zonder vader, die stierf in het jaar van de volksverhuizing uit Bessarabië – overgeheveld naar een verlaten en vernietigd dorp in Polen, om de Duitse cultuur in het nieuwe grondgebied post te doen vatten. De twee oudere broers van Willy Bittermann sneuvelden bij Stalingrad. Zijn moeder moest, met de jonge Willy, in de winter van ’44-’45 voor de Sovjet-troepen uit, met paard en wagen, terug naar Duitsland. Willy: „Mijn moeder was een heel inventieve vrouw. Ze zette me gewikkeld in donzen dekens op de bok, want ze wist: kogels raken verstrikt in dons.”

Bij het echtpaar Bittermann geen spoor van Ostalgie, ook al leefden ze het grootste deel van hun leven in de DDR – of juist daarom. Met Frau Bittermann fiets ik naar hun volkstuintje aan een steiger aan het meer, even verderop. Het houten huisje in de tuin was tot de val van de Muur bezit van het houtwerkerscollectief: alle mogelijke collectieven hadden samen vakantiehuisjes verspreid door de DDR, zodat je als houtwerker uit Mecklenburg vakantie kon vieren in de Harz en andersom. In de jaren negentig gingen de huisjes met hun tuintjes in de verkoop.

In het schemerdonker onder het houten dak vertelt Bittermann over haar vader: pas een paar jaar geleden werd in haar geboortedorp een gedenksteen opgericht met zijn naam en die van andere gesneuvelde Duitse soldaten. „In de DDR waren alle Duitse militairen misdadigers, het vermelden niet waard. De DDR zelf was natuurlijk zogenaamd gezuiverd van het fascisme, want de fascisten, dat waren de kapitalisten, die zaten in het westen.” In het westen mocht de muur dan ‘de Muur’ heten, in de DDR was het de ‘Antifaschistischer Schutzwall’.

Anke Bittermann vroeg in de jaren negentig haar Stasi-akte op. De namen van een aantal hooggeplaatste Stasi-medewerkers en belangrijke IM’s, Inoffizielle Mitarbeiter, informanten, waren weggelakt, maar ze kwam toch een en ander te weten over welke van haar collega’s en kennissen praatten met de inlichtingendienst. De schooldirecteur briefde alles door, en één leraren-echtpaar in het bijzonder – van de vrouw heb ik nog les gehad – was de belangrijkste informatiebron over het wel en wee van Bittermann. Glunderend vertelt ze: „Er is één zin in mijn Stasi-akte die ik nooit zal vergeten. Ze schreven: ‘Die Bittermann zag er weer geraffineerd uit. Alle mannen keken naar haar om.’ Ze vonden dat ik me te wuft kleedde. Naar ossi-maatstaven was dat al snel zo.”

Veel mensen van Bittermanns generatie missen het gemeenschapsgevoel uit de DDR, en praten met weemoed over de kroegen in elk dorp, waar schnapps en bier werd geschonken. Bittermann, smalend: „Ja, maar ze zeggen er dan niet bij dat achter de toog een cassettebandje meeliep. De DDR was een dictatuur. Al die mensen die hun vrienden verraadden. Ze hebben mijn man ook benaderd om informant te worden. Ik heb toen geroepen: ‘Schweine zijn het, de mensen die alles doorbrieven.’ Maar ik weet natuurlijk niet wat ik gedaan had als ze gedreigd hadden mijn dochters in een tehuis te plaatsen.”

Het Stasi-apparaat

Ondanks al het gespioneer, het verraad, de 250.000 politieke gevangenen en de martelmethodes zijn er na de val van de Muur maar veertig DDR-functionarissen veroordeeld. Dat is een symbolisch aantal als je bedenkt hoe uitgebreid het Stasi-apparaat moet zijn geweest, met agenten en informanten tot in de kleinste dorpen. Maar de hereniging van Duitsland moest harmonieus en constructief verlopen, zonder dat de bondslanden van de voormalige DDR al te zeer gekleineerd werden. Het betekent ook dat er, net als in de DDR na WOII, een boel hoge functionarissen waren die na de hereniging hun leventje zonder al te ingrijpende veranderingen konden voortzetten. Bittermann: „Het verzekeringswezen was de favoriete sector van voormalige Stasi-agenten. De verzekeraars kwamen na de val van de Muur massaal naar Oost-Duitsland, waar voorheen geen private verzekeringen bestonden. Die bedrijven uit het westen waren niet geïnteresseerd in de voorgeschiedenis van hun nieuwe werknemers.”

In het kader van de Vergangenheitsbewältigung werd bij landelijke en regionale verkiezingen wel openheid van zaken verlangd over het cv van de kandidaten vóór de val van de Muur. Na een haastig uitgeroepen verkiezing in 1990, waren er in 1994 voor de tweede keer vrije gemeenteraadsverkiezingen in Sternberg. De voorzitter van de gemeenteraad, Bruno Pischel, voorheen nertsenboer, stelde voor dat de Stasi-aktes van alle kandidaten zouden worden beoordeeld door een onafhankelijke commissie, en dat alleen degenen met een schone lei mee zouden mogen doen aan de verkiezingen. In die commissie zaten naast voorzitter Pischel de plaatselijke pastoor, en de predikant – mijn vader.

Volgens mijn moeder reed op een dag een bestelbusje voor en laadden ze onze gang vol met archiefdozen. Dagen achter elkaar werd er gelezen en gewogen. Jammer genoeg moest de ‘commissie’ concluderen dat, als ze zouden vasthouden aan de aanvankelijke eis – geen duidelijke banden met de Stasi – er bijna geen kandidaat zou overblijven. Het merendeel was IM geweest, ook al voorzag de ene in belangwekkender informatie dan de ander. Uiteindelijk werden onder druk van de zittende gemeenteraadsleden alleen die aspirant-kandidaten van de lijst geschrapt die duidelijk anderen hadden verlinkt en in gevaar gebracht. „Een schijnvertoning”, noemt mijn vader het achteraf.

Frau Bittermann en ik fietsen langs het meer terug naar haar huis. Een vrouw op leeftijd staat op blote voeten en in een roze badpak op het fietspad, een handdoek om haar middel. Frau Bittermann staat stil en stelt ons voor: „Jij hebt nog les bij haar gehad!” Het is de vrouw van het informanten-echtpaar. Bittermann, zodra we verder fietsen: „Van haar en haar man wist bijna de hele stad het. Hun gezelschap is jarenlang gemeden. Maar sinds kort laat ze zich weer zien. Ze zit nu ook weer in een schilderclubje.”

Tank met hakenkruis

In mijn herinnering tekende Marcel Stier een keer in de pauze een tank met een hakenkruis op het bord. Als ik het hem nu voorleg, zegt hij: „Ik herinner het me niet. Het kan best zo zijn, maar dan wist ik net zomin als jij toen waar een hakenkruis voor stond en had ik dat ook gewoon maar ergens gezien.”

Die verklaring is plausibel, want ook in Sternberg was de neonazi-scene al goed vertegenwoordigd in de vroege jaren negentig en lieten jongens op kisten en in bomberjacks hakenkruizen en ondubbelzinnig xenofobe leuzen achter in de stad. Ook vóór de val van de Muur waren rechts-extreme sentimenten niet ongewoon, hoewel er geen precieze cijfers over zijn. De DDR-autoriteiten negeerden rechts-extreme groepen, zoiets kwam nu eenmaal niet voor in een socialistische heilstaat. Een racistische kreet op een muur werd genoteerd in de categorie ‘Rowdytum’, vandalisme, en niet als een politieke daad (‘Rowdys’ is een zeldzaam Engels leenwoord in het communistisch vocabulaire; Lenin gebruikte het al in 1917 om antirevolutionaire sujetten aan te duiden).

De Duitse auteur Ines Geipel schrijft dat in de DDR de „Holocaust in de ijskast” ging. Er werd niet meer over gesproken; het verleden werd niet geconfronteerd, zoals in een open democratie, maar doodgezwegen. Al in 1953, schrijft Geipel, wees de DDR schadeclaims van Israël voor Holocaust-overlevenden af als „hetze”. Met de DDR werd de ene extreme ideologie ingewisseld voor de volgende. Er werd gedaan alsof het fascisme een idee van de buren uit het westen was, waar de socialisten uit het oosten per ongeluk ingetuind waren. Daarmee werd iedere zelfreflectie overbodig en kon het rechtse gedachtegoed welig blijven tieren.

Stier vertelt aarzelend over zijn politieke opvattingen. Ik mag alles opschrijven, zolang zijn baas het maar niet te lezen krijgt, want je „moet bang zijn dat je eruit vliegt, alleen omdat je een andere opvatting hebt. Vrijheid van meningsuiting bestaat niet, niet echt. Je kunt niet zeggen: ‘vluchtelingen sind Scheisse’, dan ben je meteen de nazi”. Hij aarzelt ook omdat hij het allemaal nog niet helemaal rond heeft: hij heeft gehoord van George Soros, en dat die met zijn kapitaal misschien bepaalde politici in zijn macht heeft, wat vergezocht klinkt, maar „het zou kunnen”. „Alles is erg vreemd nu”, zegt hij herhaaldelijk. „Je ziet altijd alleen maar mannen, en de meesten hebben niet eens asiel, en toch krijgen ze geld. Als ze de wet overtreden wordt er een oogje toegeknepen, terwijl een Duitser voor hetzelfde vergrijp heel anders zou worden gestraft. Er wordt met twee maten gemeten. En nu was er weer die zaak met die man die dat kind op het spoor duwde. Als ze nou hier zouden komen, en zeggen: ‘ja ik wil werken en Duits leren’, dan was het een heel ander verhaal.” Maar er is hier toch nergens een immigrant te bekennen? „Het gaat me ook meer om de rest van Duitsland.”

Ongewenste minderheid

Sören Balzer zei de avond tevoren nog dat Mecklenburg-Vorpommern veel te doods was voor de Syriërs. „Er is geen sociaal leven en geen werk.” De vluchtelingen waren er kort, na 2015, inmiddels zijn de tijdelijke asielzoekerscentra opgerold en staan de oude schoolgebouwen gewoon weer leeg.

Marcel Stier liep toen, op een maandagavond in oktober 2015, mee in een demonstratie van de ‘MVgida’ (‘Mecklenburg-Vorpommern gegen die Islamisierung des Abenlandes’), de Mecklenburgse evenknie van Pegida. De lokale voorman van de NPD, de extreemrechtse partij, voerde het woord. Volgens het verslag van de lokale krant, de Schweriner Volkszeitung, liepen er die avond driehonderd neonazi’s mee en stonden tegelijkertijd zo’n honderd inwoners van Sternberg verbroederende liederen te zingen op het kerkplein, met kaarsen in de hand.

SPD-politica Petra Klöpping publiceerde vorig jaar een boek getiteld Integriert doch erst mal uns! Veel inwoners van de voormalige DDR voelen zich nog altijd een soort ongewenste minderheid, een bevolkingsgroep die niet voor vol wordt aangezien. Minder dan de helft heeft vertrouwen in de democratie. Bij de landelijke verkiezing in 2017 resulteerde dat in 19 procent voor de rechts-nationalistische AfD in Mecklenburg, waarmee ze na de CDU (33 procent) de grootste werden. Bij regionale verkiezingen, in het voorjaar van 2019, kreeg de AfD in Mecklenburg 14 procent, Die Linke 16 procent, het CDU 25 procent. Sören Balzer heeft nog een pragmatischer verklaring voor de populariteit van rechts: „Overal waar vrouwen en hogeropgeleiden wegtrekken, spelen angst en vreemdelingenhaat op, en radicaliseren de achterblijvers.”

Ondanks de politieke uitersten is Sternberg niet zo gepolariseerd als zou kunnen. In de piepkleine stad en de omliggende dorpen kent en spreekt iedereen elkaar, en kun je het je nauwelijks veroorloven mensen buiten te sluiten om hun politieke voorkeuren. Balzer was een tijdje lid van Die Linke, de socialistische partij die voortkomt uit de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED). Balzer: „Allemaal oude SED-bonzen en Karteileichen [kaartenbaklijken, red.] Er zat geen enkele beweging in.” Als ik zeg dat ik de volgende dag met Marcel Stier afspreek, zegt hij, „Doe ’t Stierchen de groeten.”

Stier is maar een enkele keer over de bondslandsgrenzen geweest. Gevraagd naar de Oost-Duitse ziel zegt hij: „Ossi’s zijn bodenständiger, [meer geworteld, red.] zou ik zeggen. En ik denk dat we veel zelf aanpakken. In het westen, tja, ik ben er niet veel geweest, maar ik denk dat ze een beetje met hun neus in de lucht lopen.”

Bernard van Verschuer, van 1992 tot 1998 dominee in Sternberg, bij zijn Trabant.

Grote horloges en dure auto’s

Ik had ook vriendinnen in Mecklenburg, maar ze wonen er niet meer. Steffi Zimmermann en Tini Ohde wonen in respectievelijk Hamburg en Berlijn, maar zijn bij toeval op bezoek bij familie in het weekend dat ik door Mecklenburg tour.

Steffi Zimmermann is doktersassistente in een kliniek voor plastische chirurgie in een van de voetbalvrouw-buurten van Hamburg. Ze groeide op in Kobrow I, in de straat waar die oude brandweerkazerne stond. Dit weekend past ze in het gehuchtje Mustin op de honden van haar nicht. Zimmermanns moeder was een nakomertje; haar vader was aan het westfront tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog was er geen spoor van de man, Steffi’s grootvader; waarop haar grootmoeder een privédetective naar Frankrijk stuurde, om te ontdekken dat de grootvader een nieuw gezin was begonnen met een Française. Met behulp van onbekende pressiemiddelen is de grootvader begin jaren vijftig toch teruggekeerd naar Kobrow I om de moeder van Steffi te verwekken.

Zimmermanns vader was beroepsmilitair in de DDR (in de ‘Nationale Volksarmee’), vaak dronken, of afwezig, al helemaal toen Steffi’s moeder kanker kreeg. Steffi’s moeder overleed toen wij een jaar of twaalf waren; Steffi’s oudere zus, die de zorg voor haar zusje op zich had genomen, kwam een paar jaar later om bij een auto-ongeluk. De laatste keer dat ik in Sternberg was, was op de begrafenis van die zus.

Als er werk was, zou Steffi Zimmermann wel in het oosten willen wonen, in Rostock, vertelt ze, als we een rondje door de omgeving rijden. We komen langs Dabel, waar de militaire kazerne stond waar haar vader zat, en die nu leeg staat, en langs een verlaten schoolgebouw dat eerder als vluchtelingenopvang dienst deed. Het volgende dorp, Stieten, sprak erg tot de verbeelding toen ik kind was, omdat het uitsluitend uit betonnen woonblokken en stallen bestond, gebouwd om de mensen die in het landbouw-collectief werkten zo efficiënt mogelijk te huisvesten. Het dorp is in zijn geheel afgebroken, op de stallen na. Je ziet nog waar de Plattenbau stond aan een paar percelen achtergebleven puin. Tussen al die treurnis door lopen prachtige lanen met aan weerszijden eeuwenoude kastanjebomen – ooit moet het keizerlijk devies zijn geweest om zoveel mogelijk kastanjes langs de wegen van Mecklenburg aan te planten.

„In Hamburg zijn de mensen toch wat koeler en materialistischer”, zegt Zimmermann. „Mensen uit het oosten zijn gastvrijer, hartelijker. En ik heb de indruk dat mensen hier harder werken. In Hamburg draait het voor veel mannen toch om grote horloges en dure auto’s. Wat dat betreft vind ik de Oost-Duitse mannen een stuk charmanter. Als ik uitga in Hamburg, pik ik ze er zo uit. Ik heb nog nooit met een Wessi gedatet.” En in Hamburg, voel je je dan soms ook weggezet als ossi? „Absoluut niet, um Gottes Willen.”

Riksja-bestuurder

Christin (‘Tini’) Ohde is met haar man en haar kind van anderhalf in Sternberg voor de tweeëntachtigste verjaardag van haar grootvader. Ik tref de hele familie aan op een terras uitkijkend over het meer. De grootvader van Tini, kwiek en bruin, is sinds de jaren zestig visser op het meer, begin jaren negentig kon hij het bedrijf overnemen van de Treuhand, de instantie die staatsbedrijven taxeerde en privatiseerde. Zijn zoon en zijn schoonzoon, Jörg Rettig en Thomas Ohde, waren allebei succesvolle zeilers. Rettig werd in 1983 wereldkampioen bij de junioren in de 470-klasse.

Ook Tini Ohde was voorbestemd om Olympisch te zeilen. Iedere dag kruiste ze het meer over met haar vader in een motorboot in haar kielzog. Terwijl andere zestienjarigen naar Lloret de Mar op Jugendweihe-reis gingen, vertelt Tini nu, ging zij naar een trainingskamp. In de DDR deden de jonge burgers van de republiek Jugendweihe – een seculiere variant van het ritueel van volwassenwording, zoals bar mitswa of belijdenis. Het ritueel heeft de Wende overleefd, ook al draait het nu om veel cadeaus en een reis naar de costa.

Op haar vierentwintigste staakte Ohde haar studie fysiotherapie in Rostock, en het professionele zeilen, geplaagd door dwangneuroses. In Berlijn was ze jarenlang riksja-bestuurder: „Door de medicijnen kwam ik erg aan en ik wilde in beweging blijven.”

De ongebonden levenswijze van Tini Ohde en haar man, die met een camper rondreizen, hun kind niet hebben ingeënt en overal op de wereld met een laptop kunnen werken (Marco Ohde is IT-personeeladviseur) stuit op onbegrip bij haar familie. De Oost-Duitse ideeën over discipline en hard werken van haar ouders worden door Tini, die uitblonk in alle vakken, niet langer gedeeld.

„Als ik in de DDR was opgegroeid was ik weggestopt in een gesticht in het bos, uit het zicht van iedereen. Want in de DDR hadden de burgers natuurlijk geen mentale problemen. Net zomin als dat er gemoord werd, of dat er überhaupt criminaliteit was, of zelfmoord. Dat alles werd vakkundig weggemoffeld. Want de DDR was ‘perfect’”, sneert Tini Ohde. Haar moeder werpt tegen dat het heus wel meeviel, als je niet de aandacht trok. Maar het ‘niet opvallen’ wordt door Tini niet zo vanzelfsprekend gevonden. Als ze hardop lacht, manen haar ouders haar tot kalmte. „Ja, hier vinden ze me luidruchtig”, zucht Tini. „In Berlijn niet.”

In 1969 ging het gerucht dat de Rolling Stones op 7 oktober van dat jaar op zouden treden op het dak van Axel Springer Verlag, een gebouw pal naast de Berlijnse Muur aan de West-Duitse kant. De Rolling Stones waren heel populair in de DDR, ook al waren hun platen illegaal en konden ossi’s alleen via de zwarte markt aan vinyl komen of er via een West-Duitse radioverbinding naar luisteren. Honderden fans stonden aan de Oost-Duitse kant bij de Muur om de Stones te zien, die nooit kwamen. De Oost-Duitse autoriteiten waren er wel. Fans werden in elkaar geslagen en opgepakt. Marco Ohde: „Mijn oudoom, Charly Rau, is daar, op zijn zeventiende, gearresteerd. Hij heeft vastgezeten tot 1987, zeventien jaar later. Een paar jaar erop kreeg hij kanker. Tijdens zijn gevangenschap is hij gemarteld en probeerden ze verschillende soorten straling op hem uit.”

„De dictatuur,” concludeert Marco Ohde, „wordt schaamteloos gerelativeerd.” De jonge Ohdes vinden dat het oost-westdenken nu maar eens afgelopen moet zijn. Marco Ohde: „Ik zou me graag identificeren als Mecklenburger, of als Noord-Duitser voor mijn part. Het is niet zinvol om te blijven hangen in die fictieve tegenstellingen tussen oost en west.”

Minder materialistisch

Mijn oud-klasgenoten zijn geneigd zichzelf, of op zijn minst andere ossi’s, als ijveriger, gastvrijer en minder materialistisch te zien dan West-Duitsers. „Wertekonservativ”, noemt de AfD dat goedkeurend, en de partij benadrukt die gekoesterde waarden om in de oostelijke deelstaten een proteststem tegen het westen te winnen. Maar natuurlijk is Die Linke ook ‘Wertekonservativ’, en stelt zichzelf voor als de partij die nog weet waar het goede leven om draait voor het consumentisme uit het westen kwam overwaaien.

Otto von Bismarck zou over Mecklenburg-Vorpommern hebben gezegd: „Als de wereld vergaat, dan verhuis ik naar Mecklenburg, want daar gebeurt alles vijftig jaar later.” Of nooit, want er is nooit veel bedrijvigheid geweest in Mecklenburg, het was altijd een dunbevolkt gebied dat het van kleinschalige landbouw moest hebben. Balzer: „Er is heus veel geïnvesteerd hier. De wegen zijn geasfalteerd, het gemeentehuis van Sternberg is fris gestuukt. Maar wat heb je daar aan als er niemand woont omdat er geen werk is?”

Steffi Zimmermann is berustender: „Er bestaan geen maatregelen die oost en west definitief met elkaar zullen verzoenen. Dat gaat gewoon niet gebeuren. Niet op korte termijn tenminste.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Dertig jaar na de Muur voelen Oost-Duitsers zich nog altijd ‘Ossi’

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.