Hoe ‘stadsvernieling’ een slechte naam kreeg in Rotterdam

Stadsvernieuwing Slopen of opknappen. En hoe? Stadsvernieuwing verdeelt de stad. In het verleden ook, zag Ben Maandag die een boek schreef over de stadsvernieuwing van de jaren ‘70 en ‘80. Die heeft geen goede naam: mooie vooroorlogse panden moesten wijken voor zielloze moderne architectuur. Maandag is positiever: „Het heeft duizenden mensen betere woonomstandigheden opgeleverd.”

Foto Rien Zilvold
Foto Rien Zilvold

Hij kent de uitdrukking, en hij vindt hem zo flauw dat hij hem niet in zijn boek heeft opgenomen: ‘stadsvernieling’. „Het is bon ton om met dit soort termen de stadsvernieuwing af te doen als iets verschrikkelijks dat Rotterdam is overkomen”, zegt Ben Maandag, auteur van Stadsvernieuwing in Rotterdam.

Het boek wordt op 20 november gepresenteerd op de manifestatie West Side Stories, over de stadsvernieuwing in het Oude Westen. Het thema komt deze vrijdag ook aan de orde op het Stadmakerscongres, de zesde editie alweer van dit door het Architectuur Instituut Rotterdam (AIR) georganiseerde evenement.

De stadsvernieuwing heeft geen goede naam. Hardnekkig is het beeld van een periode – grofweg tussen 1970 en 1990 – waarin de oude wijken in de stad werden verminkt, waarin mooie vooroorlogse panden in groten getale rücksichtslos tegen de vlakte gingen om plaats te maken voor zielloze nieuwbouw in armetierige jaren-zeventigarchitectuur. „Het is niet allemaal even fraai wat er toen is gebouwd”, wil Maandag wel toegeven. „Maar het wordt begrijpelijker als je kijkt naar de context waarin de stadsvernieuwing op gang kwam.”

De kiem lag in de late jaren zestig van de vorige eeuw, jaren van protest en opstand tegen het gezag. Dat gezag werd in Rotterdam belichaamd door een ietwat regentesk stadsbestuur dat nog volop bezig was de wederopbouw te voltooien. Utopische vergezichten van een wereldstad met kolossale kantoren in het centrum en moderne woonwijken aan de randen (Pendrecht, Zuidwijk, Schiebroek, Overschie) domineerden het beleid. De gemeente voerde een ‘saneringsnota’ uit die in het teken stond van sloop en reconstructie. Als er woningen in de oude wijken moesten wijken voor infrastructuur of nieuwbouw, dan moest dat maar.

De woningen van begin vorige eeuw, zoals hier de Batavierenstraat, waren nieuw al niet goed van kwaliteit. Foto Nationaal Archief

Geen toezicht

Die woningen waren toen zo’n zeventig jaar oud en er slecht aan toe. „De oude wijken zijn rond 1900 gebouwd, vooral op particulier initiatief, in een tijd dat de stad volstroomde met arbeiders op zoek naar werk, met name in de haven. Er was geen enkele instantie die op die bouw toezicht hield, dus ze waren nieuw al niet zo goed van kwaliteit”, zegt Maandag.

Omdat onderhoud goeddeels uitbleef, waren hele blokken na driekwart eeuw verkrot, aldus Maandag. „De omstandigheden waren verschrikkelijk. Gezinnen moesten toiletten delen, hadden geen douches, geen behoorlijke keukens. Ratten liepen over de vloer. Eind jaren zestig was de situatie onhoudbaar geworden, maar niemand had er oog voor.”

De omslag kwam van onderaf. In Crooswijk en het Oude Noorden keerden bewoners zich tegen het plan van de gemeente om de Rotte te dempen en er ter ontsluiting van het centrum een autosnelweg aan te leggen. Het plan om de oude Willemsbrug te vervangen door een Willemstunnel met tien rijbanen stuitte op verzet in Feijenoord. In het Oude Westen vonden oudere bewoners en jonge studenten elkaar in hun protest tegen de sloop van tientallen huizenblokken voor de vorming van een nieuwe city.

Lees ook het gesprek tussen vader en zoon Leewis over de Tweebosbuurt.

Langzaam vonden de protesten weerklank bij de politiek en het ambtelijk apparaat. In de destijds in Rotterdam oppermachtige PvdA was er een nieuwe wind gaan waaien. Kreeg burgemeester Wim Thomassen in 1970 nog bezoek van actievoerders thuis die zijn badkamer bezetten en er een bad namen, onder zijn opvolger André van der Louw kreeg wat dan stadsvernieuwing is gaan heten volop de ruimte. Sloop en sanering hadden plaatsgemaakt voor ‘behoedzame rehabilitatie’ van de vooroorlogse wijken. Spil in de nieuwe aanpak was wethouder Jan van der Ploeg, die als motto voerde: ‘Bouwen voor de buurt’.

Terugkeergarantie

Bewoners werden niet alleen gehoord, ze kregen ook verregaande inspraak in de projectgroepen die bepaalden hoe de door de gemeente opgekochte woningen werden opgeknapt, bijgestaan door ambtenaren, architecten en aannemers. Mensen moesten soms hun woning verlaten, maar kregen de garantie dat ze er na renovatie of, als sloop onontkoombaar was, nieuwbouw konden terugkeren. Over de hele periode zijn op die manier 71.000 woningen aangepakt.

Bij bijvoorbeeld de Nieuwe Binnenweg zie je stadsvernieuwingsarchitectuur waar, zacht gezegd, de meningen over verdeeld zijn.

Foto’s Rien Zilvold

Die werkwijze had ook keerzijdes, zo blijkt uit het boek van Maandag. Om de huren laag te houden, kozen de bewoners doorgaans voor woningen met zo groot mogelijke kamers tegen zo laag mogelijke (ver)bouwkosten. Architectuur speelde niet, of kwam op het tweede plan. Ook leverde het accent op sociale woningbouw wel erg eenzijdige wijken op waar mensen met de laagste inkomens instroomden (in later jaren vooral migranten) en mensen die iets meer aan wonen konden besteden, uitstroomden. De arme buurten bleven zo arm.

In die zin is de huidige Woonvisie van de gemeente te zien als een correctie, aldus Maandag. „Het beleid is er nu duidelijk op gericht meer evenwicht in die wijken te krijgen. Tegelijkertijd is het model om het woningbeleid samen met de bewoners uit te voeren, losgelaten. Nu zijn het de markt en de woningcorporaties die de dienst uitmaken en komen de bewoners in het verhaal niet meer voor. Dat wreekt zich nu in de Tweebosbuurt, waar de mensen dat niet pikken.”

Foto Rien Zilvold Gouvernestraat

Het oplossen van huisvestingsproblematiek neigt nu naar bevolkingspolitiek, schrijft Maandag in zijn boek. Ook dat is een sluitstuk van een proces waarin de term ‘stadsvernieuwing’ werd ingewisseld voor ‘stedelijke vernieuwing’ en ‘Bouwen voor de buurt’ voor ‘Bouwen voor de stad’. Hernieuwde aandacht voor architectuur in de jaren negentig leidde zowel tot de omarming van hoogbouw als tot een herwaardering van het vooroorlogse erfgoed. Dat laatste heeft het contrast met de architectuur van de stadsvernieuwing en zijn voorliefde voor dakdozen en trespagevels verscherpt.

Toch zou het onjuist zijn om die uiterlijke miskleunen de doorslag te laten geven in de beoordeling van de stadsvernieuwing, meent Maandag. „Er lagen plannen klaar om de oude wijken met de grond gelijk te maken. De stadsvernieuwing heeft ze gered van de sloop. Dat het Oude Noorden nu zo populair is, danken we aan mensen die zich tegen Rotte-tracé hebben verzet en de verbetering van hun woningen hebben afgedwongen.”

Kom bij Maandag dus niet aan met ‘stadsvernieling’ of ‘tweede bombardement’. Misplaatst dedain, vindt hij. „Bij het bombardement zijn honderden mensen omgekomen, de stadsvernieuwing heeft duizenden mensen betere woonomstandigheden opgeleverd.”