Brands van Barbarber

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.

Barbarber, tijdschrift voor teksten, kreeg zijn definitieve vorm in 1958 toen G.Brands, die samen met K.Schippers en J. Bernlef de redactie vormde, het stencil waarop de kopij getikt werd in de lengte vouwde. „Dat was echt een geniale vondst”, zei Schippers, toen ik hem twintig jaar later voor de Haagse Post over Barbarber sprak. „Het gekend worden van Barbarber komt ook wel door de inhoud, maar toch ook door de krankzinnige vorm. Het stak altijd overal bovenuit, het paste niet in de boekenkast, het was iets raars.”

Na het verschijnen van het zesde nummer, dat gevuld was met de namen van de mensen die het blad wel ontvingen maar geen abonnement hadden genomen (Jan Hanlo, Poppenkastman op de Dam, Max van Praag, ds Zandt, et cetera) wijdde Simon Carmiggelt op 10 oktober 1959 een Kronkel aan het tijdschrift en nam ik een abonnement.

De Barbarber-redactie zetelde Johan Schippersplantsoen 15 in Slotervaart, vlak achter de Kolenkit, het volmaakte adres (tegenwoordig te bereiken met lijn 7, uitstappen halte Burgemeester de Vlugtlaan), en verscheen één keer in de maand, een heerlijk ogenblik. BBB schonk me Jan Hanlo, Chris van Geel, Emiel van Moerkerken, Louis Lehmann, Judith Herzberg, en Marcel Duchamp niet te vergeten. En dan al die anonieme teksten, waarvan ik me er een aantal nog goed meen te herinneren: ‘Heinemannetje doet weer bobo’; ‘Jij gaat nog grote dingen doen, zei Lou Bandy, in 1947, tegen Cees de Lange’; ‘Mijn nichtje heeft een 6 voor sperziebonen’; ‘Wat is een bananenbaam?’ G. Brands werd door Schippers wel ‘de Sjah van Barbarber’ genoemd: „Ja, die Brands, een heel merkwaardig mens hoor, daar ben ik nog niet klaar mee, nooit vrees ik.” Brands was „de grote man van de prullenbak. Op redactievergaderingen stond de prullenbak altijd naast Brands. Die las alles als eerste en hij gooide ook veel in de prullenbak als wij het nog niet eens hadden gelezen.” Brands was heel onopvallend. Bernlef: „Brands is iemand die zich bijna aan je herinnering onttrekt.” En Schippers: „Als je hem ziet is er in zijn aanwezigheid ook iets waardoor je nauwelijks gelooft dat hij er zit.”

Brands schreef boeken over de natuur (Een bever als knecht), kinderboeken (De jongen die de zee wilde zien) en een gedicht. Talrijk zijn de dichters die bekend bleven door één gedicht. Dichters die bekend bleven door het enige gedicht dat ze schreven, zijn zeldzaam. Zelf noemde Brands zijn ‘Laatste kwatrijn’ „een van de beste kwatrijnen van de twintigste eeuw”, een uitspraak waarin ik me goed kan vinden: ‘Des morgens sta ik op/ des avonds weer naar bed/ mijn wekker heb ik dan/ op zeven uur gezet.’

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.