Opinie

Uiteindelijk gaat het leraren altijd om het heil van hun leerlingen

Onderwijsstaking

Commentaar

Deze woensdag wordt er gestaakt door naar schatting zo’n 80 procent van de leerkrachten op de scholen voor basis- en middelbaar onderwijs. Die staking was al aangekondigd maar werd vrijdagavond afgeblazen, toen het kabinet na overleg met onderwijsbonden bekend had gemaakt 460 miljoen euro extra uit te trekken voor het basis- en voortgezet onderwijs. Op het fait accompli van dat akkoord werd furieus gereageerd door de actiegroep PO in Actie en de vakbond Leraren in actie. Begrijpelijk, want het trok de leerkrachten het tapijt onder de voeten weg. 460 miljoen euro extra lijkt veel, maar omdat het grootste deel van dat bedrag eenmalig is, is het een extraatje – en daar gaat het de leraren niet om. Het lerarentekort los je er niet mee op en de werkdruk kan het hooguit voor een korte periode verlichten. Maar het verhelpt niets aan de gerechtvaardigde wensen om structurele verbeteringen in het basis- en middelbaar onderwijs. En daarmee blijft er reden voor de docentenstaking bestaan. Die toegezegde 460 miljoen zijn ontmaskerd als uitkomst van een broddelakkoord dat niet leidt tot de vurig bepleite onderwijsverbetering. Wel bevestigt dit het valse idee dat het onderwijs wordt bevolkt door rupsjes-nooitgenoeg.

Basis- en middelbaar onderwijs worden altijd nadrukkelijk geprezen om hun belang voor een gezond sociaal klimaat – dat staat goed voor bewindspersonen. Vervolgens wordt het door diezelfde bewindspersonen bijna routineus financieel afgescheept en afgeknepen – wat makkelijk gaat want voor leerkrachten is staken een knieval die ze niet graag maken. Wat ze aan actiemiddelen inzetten is ludiek en lijkt zelden op iets als een vuist. Wegwuiven is makkelijk.

Ook in dit geval dreigde een zoethoudertje, dat verhulde dat het nemen van serieuze maatregelen wordt doorgeschoven naar een volgende kabinetsperiode. Wat weer wachten op oplossingen betekent voor een beroepsgroep die de verantwoordelijkheid draagt voor de toekomstige leer- en denkkracht van Nederland, maar die niet te veel mag kosten. Die van minister tot minister geconfronteerd wordt met nieuwe ideeën en inzichten, en die doorgaans betrekkelijk volgzaam uitvoert, met inbegrip van de onvoorziene consequenties die standaard extra werkdruk betekenen. Maar daar worden leerkrachten niet erg voor gecompenseerd, die horen er nu eenmaal bij.

Wie voor de klas staat, heeft het niet voor het kiezen. Die moet een antwoord kunnen geven op alle maatschappelijke problemen die de Nederlandse bevolking treffen. Het takenpakket voor het onderwijzend personeel groeit, de werkdruk stijgt en de verantwoordelijkheden zijn zwaar. Het idee van één leerkracht voor een klas dateert uit de middeleeuwen. Dat is sowieso wel eens toe aan revisie. Maar zelfs structureel waar nodig een onderwijsassistent in de klas naast de leerkracht kan er niet af.

Dat er eerst wel, toen niet meer en toen ineens weer wél gestaakt wordt, is geen mooi plaatje. Het zou ook niet nodig moeten zijn. Zelfs Christine Lagarde stoorde zich, in aanloop naar haar functie als president van de Europese Centrale Bank, met zoveel woorden aan de Nederlandse financiële terughoudenheid als het op investeren in onderwijs aankomt.

Geslaagd basis- en middelbaar onderwijs vereist structureel bij te stellen financiering. Mondjesmaat noch genereus, maar voldoende om het te laten beantwoorden aan maatschappelijke ontwikkelingen, zodat van niet één enkele leerling de denk- en doekracht onbenut blijft.