Opinie

Gesteggel over status en salaris hoort bij de onderwijscultuur

Onderwijsblog Het salaris van de leraar is sinds mensenheugenis een issue, schrijft historicus Jacques Dane. De inspectie wijst al sinds 1817 op geringe inkomsten, werkdruk en een gefnuikt imago.
Groepsfoto onderwijzend personeel in een klaslokaal, omstreeks 1925
Groepsfoto onderwijzend personeel in een klaslokaal, omstreeks 1925 Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht

Wie met een historische bril op naar de lange geschiedenis van de Nederlandse leerkracht kijkt, ziet dat deze beroepsgroep al eeuwenlang met zijn imago worstelt.

De zeventiende-eeuwse kunstschilder Jan Steen (1626-1679) en zijn collega’s zagen het al scherp: op hun schilderijen staan slordig geklede onderwijzers vaak afgebeeld als losers. Deze beroepsgroep kon zelf nauwelijks lezen, rekenen en schrijven, zo wil het verhaal. De leerkracht dwong orde af met de plak: een strafinstrument waarmee hij een horde volkskinderen in het gareel probeerde te dwingen. En om rond te komen moest de overwerkt ogende man – indertijd was het altijd een man – zijn salaris, vaak betaald in natura, aanvullen met bijbaantjes als schaapscheerder (op schilderijen hangt soms een schaar aan de muur van het klaslokaal), belastingophaler of doodgraver.

Aan het einde van de achttiende eeuw ontwikkelde de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (1784), een vereniging die verheffing en ontwikkeling van samenleving en individu voorstond, initiatieven om de inhoud van het volksonderwijs te verbeteren en het beroep van leerkracht te professionaliseren. Mede door de invloed van ‘t Nut werd in de onderwijswetten van de negentiende eeuw bepaald, dat de man (en later ook de vrouw) voor de klas eerst een degelijke opleiding moest hebben genoten en ook een vast salaris diende te krijgen.

Status steeg, salaris niet

Door een gedegen onderwijzersopleiding steeg in de loop van de negentiende eeuw de beroepsstatus, maar het salaris bleef ondermaats. Om hun karige arbeidsloon aan te vullen, bekleedden veel onderwijzers kerkelijke bijbaantjes zoals voorzanger, voorlezer of organist. Maar ondanks het feit dat het bij de wet geregelde inkomen onvoldoende was om een gezin te onderhouden, verbood de wetgever in 1842 bijbanen voor onderwijzers. Hoop op verbetering verdampte, toen bleek dat het vastgestelde minimumsalaris in de onderwijswet van 1857 ook ontoereikend was. De vele door leerkrachten geschreven schoolboeken voor vakken als rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis en Nederlandse taal zijn hier het stille bewijs van: met een goed verkopend schoolboek kon een karig salaris opgevijzeld worden.

Met een goed verkopend schoolboek kon een leerkracht het karige salaris wat opkrikken

In de loop van de negentiende eeuw steeg het beroepsprestige door de oprichting van vakorganisaties zoals het Nederlandsch Onderwijzer Genootschap (1842) en de Bond van Nederlandsche Onderwijzers (1874). In tijdschriften en brochures werden onderwijzers, voor zover ze dat al niet waren, bewust gemaakt van hun belangrijke maatschappelijke taak: kinderen allereerst lezen schrijven en rekenen te leren, en ze te laten opgroeien tot achtenswaardige, zelfbewuste burgers. Of zoals een idealistische kwekeling van de indertijd befaamde Haarlemse Rijkskweekschool het aan het eind van de negentiende formuleerde: „Wij zijn de toekomstige maatschappij; van ons hangt de loop der wereldgebeurtenissen in de volgende halve eeuw voor het grootste deel af.”

De twintigste eeuw verliep voor de beroepsgroep enigszins anders. Idealistische onderwijzers als Theo Thijssen (1879-1943) stapten teleurgesteld uit het vak, dat overigens door veel jongemannen uit lagere sociale milieus gebruikt werd om op de maatschappelijke ladder te stijgen (de kweekschool was ‘de universiteit van de armen’). In zijn romans en artikelen bekritiseerde Thijssen de regelzucht van de overheid in het klaslokaal: ook in zijn tijd waren schoolinspecteurs en onderwijsambtenaren al druk bezig het leven van de toch al met werk overladen leerkracht nog zuurder te maken met ingewikkelde formulieren en complexe regels.

Kaasschaafmethode

Als SDAP-onderwijsman uitte Thijssen in 1933 stevige kritiek op de Rijksbegroting van het kabinet-Colijn: „Bezuinigingen op de uitgaven voor de scholen betekent inkrimping van de opvoeding, teruggang van cultuur en beschaving, tegenhouden van vooruitgang op intellectueel en zedelijk gebied, achteruitgang van het beroepsleven. Zij is een aanslag op het jonge geslacht, dat men minder goed voorbereidt op een zoveel zwaarder bestaan, een wereld vol verwarring instuurt. Zij is verraad aan de groeiende mensheid.”

Naast rode onderwijzers als Thijssen, had ook de in 1919 opgerichte Onderwijsraad, een gerespecteerd en onafhankelijk adviescollege van de regering en het parlement, kritiek op het overheidsbeleid. In 1920 adviseerde de raad de lerarensalarissen te verhogen, in 1955 attendeerden de leden de overheid op een dreigend lerarentekort. In 1998 stond dit laatste onderwerp opnieuw op de agenda, nu naast de taakverzwaring van onderwijsgevenden en de kwestie van de kwaliteit van de instroom nieuwe leerkrachten. In de onderwijsverslagen van de Inspectie, die al sinds 1817 worden gepubliceerd, is een eenzelfde teneur waarneembaar: geringe inkomsten, werkdruk, gefnuikt imago.

Sinds mensenheugenis lijden onderwijsbegrotingen onder de politieke kaasschaafmethode. Onderwijsminister Wim Deetman, berucht om zijn bezuinigingsregime, werd in de schoenen geschoven dat hij zich gedroeg als een ‘staatssecretaris van financiën’in een kabinet dat het herstel van het bedrijfsleven als hoogste prioriteit had.

Of zoals een kritische hoogleraar pedagogiek het in 1986 puntig verwoordde: „Als de olieprijzen dalen, moeten de kleuters maar thuisblijven.”

Vernieuwingen blijken dikwijls verkapte bezuinigingen, ten koste van de onderwijsinhoud, de onderwijzers zelf en niet te vergeten de leerlingen. Gesteggel tussen de overheid en de getergde beroepsgroep over status, salaris en werkdruk is een vast onderdeel van de Nederlandse onderwijscultuur.

Dr. Jacques Dane, historicus, hoofd collectie en onderzoek Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.