Opinie

Voorstelling

Ellen Deckwitz

Gisteravond zat ik op de bank met een verdrietige vriendin. Haar geliefde, met wie ze al jaren samen is, bleek een affaire te hebben. Ze ontdekte het vorige week en schopte zonder wederhoor haar partner meteen naar zijn moeder. „Dat was achteraf gezien een stomme actie”, zei ze terwijl ze haar tweede dekbedovertrek volsnoot, „want nu ik het precieze verhaal niet ken is mijn fantasie op hol geslagen. Ik wil hem momenteel echt niet zien of spreken, maar daardoor heb ik dus ook geen idee van wat er speelde, wanneer het precies begon. En zo loop ik me de hele tijd voor te stellen hoe het is gegaan, hoe romantisch hun stiekeme afspraakjes wel niet waren, hoe teder en wanhopig en verbindend al die gestolen uren. Ik zie de hele tijd voor me hoe ze in elkaars armen liggen.”

Ik schonk haar nog maar wat jenever in. Wie ooit bedrogen is weet dat je voorstellingsvermogen dan met je op de loop kan gaan. Opeens beschik je over een ongebreidelde verbeeldingskracht waardoor je de ontrouw tot in het kleinste detail voor je ziet. Hoe gepassioneerd het vrijen en hoe frustrerend de begeerte, beide vergroot door schuldbesef.

„En wat ik het allerstomste vind”, snifte ze, „is dat ik me van mijn eigen seksleven doorgaans slechts flarden herinner. Een flits van een plafond, een oplichtende glimlach in het donker, een lichaam dat zich over het mijne buigt als een golf. Dat is alles. Terwijl ik van het vreemdgaan, van iets waar ik notabene zelf geeneens bij was, opeens talloze scenario’s voor me zie, inclusief belichting, dialoog en soundtrack.”

Daar wist ik niets op te zeggen, behalve dan dat ik het herkende. Zelf hoorde ik vorig jaar pas dat de man met wie ik jaren geleden samenwoonde, me meermaals had bedrogen. Wat volgde was een storm aan pijnlijke beelden. Tot in het kleinste detail zag ik het voor me, en wat ik ook deed, zei of dronk, niets kon het stoppen.

„Dat vind ik misschien wel het ergste”, zei mijn vriendin. „Niet eens het bedrog of de verbroken beloftes, maar wat je je opeens allemaal in je hoofd haalt. Hoe mooi, sensueel en spannend de wereld was waarvan je geen deel meer uitmaakte. Hoe makkelijk mensen konden leven met je afwezigheid.”

Ze strijkt een behuilde tissue glad. Het papier is donker van de tranen.

„En hoe levendig ik me nu kan voorstellen dat het mogelijk is, dat mijn bestaan niets uitmaakt, geen rem vormde voor de genietingen van anderen. Sterker nog: dat mijn absentie de boel alleen maar aanwakkerde. Dat ik door even niet te bestaan, hun de kans gaf prachtige herinneringen te maken.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.