Opinie

Sleutelclub

Marcel van Roosmalen

We dronken thee met honing bij een van de alleenstaande moeders van het schoolplein. Onze oudste dochter lag languit naast die van haar op het gras in haar tuintje. Ze had weleens een stukje van mij gelezen, zei ze.

„Dat zetten ze dan op Facebook, meestal met commentaar.”

Ze was het vaak niet met me eens.

„Het is hier niet saai”, zei ze beslist. „Dus dat klopt al niet.”

Dat bepaal ik dan toch zelf, dacht ik, maar na een kwartier moest ik dan toch bakzeil halen.

Haar vriend was er bijvoorbeeld vandoor met ‘die met die Heidi-vlechtjes’, die we misschien wel kenden omdat ze altijd zo sletterig naar de Vomar liep.

„Met die cowboylaarzen.”

Ik had geen idee over wie ze het had, maar dat maakte voor het verhaal verder niet uit.

Ze knipte al pratend met een schaar een pakje Sultana’s open en zei dat er overdag inderdaad niemand op straat was in ons dorp, maar dat dat niet betekende dat er niets gebeurde.

„Overdag werken ze, ’s avonds doen ze het allemaal met elkaar. Als konijnen. Sleutelclub: Dat is als je een ander lekker vindt en je partner vindt de partner daarvan ook wel lekker en dat je mekaar dan opzoekt.”

Het kwam erop neer dat de ene helft van het dorp het in teamverband geregeld met de andere helft van het dorp deed. Ze ging voor het raam staan en wees naar huizen van mensen die het ook deden, sommige kende ik van gezicht.

‘Ja, dan is het wel makkelijk als je elkaars sleutel hebt, en condooms natuurlijk”, zei ik om maar mee te praten. Er viel een stilte.

‘O, ze gebruiken natuurlijk geen condooms’, dacht ik eerst.

Fout gedacht, ze gebruikten geen echte sleutels.

„Het heet alleen maar sleutelclub”, legde de vriendin uit.

In haar stem hoorde ik de irritatie omdat ik dit sappige gesprek zo ongemakkelijk had onderbroken.

„Drugs doen ze ook”, zei de moeder van het schoolplein. „Xtc en ghb, maar daar ben ik minder enthousiast over.”

„Logisch wel”, hoorde ik mezelf zeggen.

We liepen naar huis, toch een beetje in de war.

„Die dus ook”, knikte ik naar een huis waarvoor een gezette veertiger zijn auto stond te wassen. Zijn vriendin/vrouw kwam net in een gewatteerde jas naar buiten.

Voor het eerst een gevoel van opluchting dat we er hier niet bij hoorden.

„Ik kijk nu heel anders naar al die mensen die zeggen dat ze het hier zo naar hun zin hebben”, zei ik.

De vriendin trapte nadrukkelijk op de rem, logisch wel met al die familieleden in de buurt.

„Je moet ze niet allemaal over een kam scheren, er zijn er ook veel die niet meedoen.”

Met die invalshoek viel te leven.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.