Nederland draait op voor Antilliaanse douanefraude

Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week: Europees recht.

Foto Marc Boettinger

Het recht moet zijn loop hebben, maar soms duurt dat lang. Neem de zwendel met melkpoeder, rijst, gries en griesmeel die het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) rond de eeuwwisseling op het spoor kwam. De goederen hadden van de autoriteiten op Aruba en Curaçao valse certificaten gekregen. Daarmee konden ze zonder heffingen in Nederland en Duitsland worden ingevoerd. Zo boorde het Koninkrijk der Nederlanden, waarvan beide eilanden deel uitmaken, de Europese Unie 18,5 miljoen euro aan douanerechten door de neus. De Europese Commissie eiste dit bedrag in 2012 op. Nederland weigerde te betalen en uiteindelijk, bijna twintig jaar na het vergrijp, belandde de zaak op het bord van het Europees Hof.

Nederland verzette zich niet tegen de vaststelling dat de autoriteiten van Aruba en Curaçao foute certificaten hadden afgegeven. Wel bestreed Den Haag dat het daarvoor volgens het EU-verdrag financieel aansprakelijk gesteld kon worden. Voornaamste argument: gezien hun autonomie moesten Aruba en Curaçao met betrekking tot de invoer van goederen in de EU als ‘derde landen’ worden aangemerkt. Alleen Nederland zou gebonden zijn aan de rechten en plichten die voortvloeien uit toetreding tot de EU.

Het Hof gaf Nederland vorige week ongelijk. Aruba en Curaçao zijn geen ‘derde landen’, maar integraal onderdeel het Koninkrijk der Nederlanden dat lid is van de EU. Dit Koninkrijk is verantwoordelijk voor nakoming van de verplichtingen die bij dit lidmaatschap horen. Worden die verplichtingen geschonden, zoals bij het ontduiken van uitvoerheffingen door beide eilanden, dan is de lidstaat aansprakelijk voor de schade die de EU daardoor lijdt. Nederland moet 18,5 miljoen euro plus rente aan Brussel afdragen.

Uitspraak:ECLI:EU:C:2019:918