Kiezen tonen wat ijstijdgrazers aten

Paleontologie In de laatste ijstijd was de Noordzee een vruchtbare steppe waar reuzenherten, elanden en bosneushoorns leefden. Maar wat aten die dieren?

Impressie van de wolharige neushoorn. Uit de Noordzee komen veel resten naar boven van deze soort, die is uitgestorven rond het einde van de laatste ijstijd.
Impressie van de wolharige neushoorn. Uit de Noordzee komen veel resten naar boven van deze soort, die is uitgestorven rond het einde van de laatste ijstijd. Foto Michael Long/Science Photo Library

Stuifmeel dat bewaard is gebleven in de fossiele kiezen van acht grote ijstijddieren, waaronder reuzenhert, steppebizon en wolharige neushoorn, laat zien wat de dieren hebben gegeten en daarmee ook hoe hun leefgebied eruitzag. Onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en het Natuurhistorisch Museum Rotterdam geven een uitgebreid overzicht in Quaternary Science Reviews.

In de laatste ijstijd, die rond 11.000 jaar geleden eindigde, lag de zeespiegel tot zo’n 120 meter lager dan nu. Dat kwam doordat veel van het water op aarde vastzat in de grote ijskappen. De huidige Noordzee was toen een vruchtbare steppe. Daar graasden veel grote zoogdieren, zoals mammoeten. Vandaar dat we dit landschap ook wel de ‘mammoetsteppe’ noemen.

„We weten vrij precies welke dieren er op de mammoetsteppe leefden”, zegt Bas van Geel, paleo-ecoloog aan de UvA en hoofdauteur van het artikel. „Dat komt doordat er in Nederland zoveel amateurfossielenzoekers zijn. Samen hebben die daar vele tienduizenden uren in gestoken. Veel meer dan wij als wetenschappers kunnen doen. Een unieke samenwerking.” Die amateurs zoeken het liefst op plekken waar zand van de Noordzeebodem op de kust is opgespoten, zoals bij de Zandmotor – een kustverdedigingsproject tussen Kijkduin en Monster – en bij de Maasvlakte.

Dieet was onbekend

Het spectrum aan grote ijstijdgrazers mag dan bekend zijn, hun dieet is dat nauwelijks. Van Geel en zijn collega’s brachten daar als eersten verandering in. Zij onderzochten de plantenresten die ze aantroffen in de diepe groeven van fossiele kiezen. Fijngekauwde stengels en bladeren zijn niet meer te herkennen, maar stuifmeel van bloemplanten wel, evenals sporen van varens en paardenstaarten.

De paleobiologen bestudeerden 52 kiezen van acht verschillende soorten grazers, de meeste tussen de 25.000 en 50.000 jaar oud. Vier van de soorten vind je nog steeds in noordelijke streken: eland, rendier, edelhert en muskusos. Drie andere zijn rond het eind van de laatste ijstijd uitgestorven: reuzenhert, steppebizon en wolharige neushoorn. Eén kies kwam van de bosneushoorn, die al voor de laatste ijstijd uitstierf, dus meer dan 100.000 jaar geleden.

Vorig jaar publiceerden Van Geel en zijn collega’s al een studie naar één kies van een reuzenhert. Dit iconische ijstijddier, dat zo groot was als een eland maar dan met een gewei van ruim drie meter breed, bleek vooral alsem te hebben gegeten. Wellicht was het dankzij die kalkrijke plant dat de mannetjes elk jaar zo’n enorm gewei konden opbouwen, speculeerden de onderzoekers destijds. Nog eens tien fossiele reuzenhertenkiezen bevestigen nu dat beeld. Ook wolharige neushoorns, rendieren en steppebizons aten veel alsem. Blijkbaar was die plant heel algemeen, aldus het artikel.

In de kies van de bosneushoorn vonden de onderzoekers vooral stuifmeel van els en hazelaar, maretak, varens en klimop. Dat bevestigt dat het dier leefde in een beboste omgeving, voordat de laatste ijstijd begon. In de elandkiezen waren resten te vinden van els en waterplanten – precies het voedsel van hedendaagse elanden.

Vroegere vegetaties

Paleobiologen herleiden vroegere vegetaties vooral uit stuifmeel dat ze vinden in veen en meerbodems. Maar daarin zijn plantensoorten die door de wind worden bestoven, sterk oververtegenwoordigd. „Die produceren namelijk relatief veel stuifmeel”, verklaart Van Geel. „Door insecten bestoven planten maken maar heel weinig stuifmeel, dus dat tref je nauwelijks aan in je monsters. We vinden dat nu wel veel in de fossiele kiezen. Nu weten we bijvoorbeeld dat er op de mammoetsteppe zonneroosjes groeiden. En springzaad. Dat was een soort die ik daar niet had verwacht.”

Maar ook de kiezen kunnen een vertekend beeld geven, aldus Van Geel: iedere grazer heeft immers zijn eigen voorkeur. En wellicht komt niet van iedere gegeten soort evenveel stuifmeel in de kiezen terecht. „Ik zou dat weleens willen ijken bij nu levende soorten”, zegt Van Geel. „Dat zou leuk vervolgonderzoek zijn.”