Recensie

Recensie Beeldende kunst

Hoe kunstenaars op duizenden kilometers afstand toch verwant zijn

Tentoonstellingen De exposities ‘North & South’ in het Catharijneconvent en ‘Rembrandt-Velázquez’ in het Rijksmuseum benaderen de artistieke verwantschap in de Europese Middeleeuwen en barok op heel andere wijze.

Naast elkaar in het Rijksmuseum: Francisco de Zurbaráns ‘Martelaarschap van de heilige Serapion’ naast ‘Bedreigde zwaan’ door Jan Asselijn.
Naast elkaar in het Rijksmuseum: Francisco de Zurbaráns ‘Martelaarschap van de heilige Serapion’ naast ‘Bedreigde zwaan’ door Jan Asselijn. Foto Olivier Middendorp

De studie naar internationale artistieke relaties kent in de Kunstgeschiedenis een lange traditie. Uitgangspunt vormen overeenkomsten in vormentaal, motieven of onderwerpen van kunstwerken uit streken op soms grote onderlinge afstand. Zulke verwantschappen vormen het uitgangspunt van twee tentoonstellingen, in het Catharijneconvent en het Rijksmuseum. In beide speelt beeldende kunst uit Spanje een belangrijke rol. In benadering kan het verschil tussen de exposities bijna niet groter zijn.

Het Rijksmuseum koppelt Hollandse en Spaanse zeventiende-eeuwse schilderijen aan elkaar. Met de middelen van het museum en een voortreffelijke hand van selecteren leidt dit concept bijna automatisch tot een verbluffende presentatie van werken van topkwaliteit. Met schilders als Velázquez, Zurbarán en Murillo kan de Spaanse Siglo de Oro wedijveren met de Hollandse Gouden Eeuw, die is vertegenwoordigd met onder meer Hals, Vermeer en Rembrandt. De expositie legt verbanden op het gebied van bijvoorbeeld religieuze gevoelens, overtuigingskracht of natuurgetrouwheid. Zo hangt Zurbaráns magistrale Martelaarschap van de heilige Serapion naast de indrukwekkende Bedreigde zwaan door Jan Asselijn. De frontaal weergegeven heilige hangt levenloos aan de touwen aan zijn polsen; de zwaan verdedigt met uitgestrekte vleugels haar nest. De prominente witte vlakken van pij en verenkleed van man en zwaan vormen een fraai beeldrijm; de noemer waaronder ze worden gepresenteerd is ‘volledige overgave’. Het is een voorbeeld van vrij algemene associaties bij werken van kunstenaars die van elkaars bestaan niet wisten.

Reliekschrijn uit Filefjell, Bergen, ca. 1230-1250. Bergen, Universiteitsmuseum Foto Museum Catharijneconvent
Lees ook: Nederland - Spanje: Rijks vergelijkt 17de-eeuwse schilderkunst

Catharijneconvent

Een heel andere rol speelde Spanje in een eerdere periode, zoals blijkt uit de expositie in Utrecht. Die vertrekt vanuit de veronderstelling dat er in de periode 1100-1350 in heel Europa een vergelijkbare vormentaal bestond in de monumentale versiering van kerkinterieurs. In het midden van het werelddeel is er maar heel weinig van overgebleven, maar aan de randen, in Catalonië en Noorwegen, bleven de kerken grotendeels vrij van modernisering en Beeldenstorm. Daardoor is er uit die betrekkelijk geïsoleerd gelegen streken opvallend veel Middeleeuwse, aan kerkgebouwen gebonden, schilder- en beeldhouwkunst bewaard gebleven.

Houten beelden van Maria en heiligen, en beschilderde onderdelen van altaren, waarvan de liturgische functie in de catalogus piekfijn wordt uitgelegd, vertonen in Noord en Zuid inderdaad opmerkelijke overeenkomsten. De eerste zaal presenteert gelijk een paar zeldzame topstukken, waaronder twee ongeveer een meter hoge panelen die dienden als decoraties van de voorzijde van een altaar. Een ervan, uit het laatste kwart van de twaalfde eeuw, komt uit Vic (Catalonië) en toont de getroonde heilige Maagd met het Christuskind. De forse figuren worden omringd door vier compartimenten met scènes uit het leven van de heilige Margaretha. Op het andere paneel, dat omstreeks 1300 in Trondheim tot stand kwam, staat de heilig verklaarde koning Olav in het midden, met om hem heen vier episodes uit zijn leven. Stilistisch zijn er verschillen, maar in opbouw, functie en betekenis zijn beide werken zeer vergelijkbaar en beantwoorden ze aan de vormentaal die zich vanaf de twaalfde eeuw vanuit Midden-Italië en Parijs over heel Europa verspreidde.

Zittende Maria en kind uit Kyrkjebo (Noorwegen) detail, 1200-1300. Bergen, Universiteitsmuseum Foto Museum Catharijneconvent

Ook in kleinere gebruiksvoorwerpen zoals kastjes waarin relikwieën van heiligen worden bewaard, liturgisch vaatwerk en metalen aquamaniles (waterkannen om de handen van de priester na de communie te wassen) in de vorm van leeuwen en fantasiedieren bleven vorm en thematiek op verschillende plaatsen in Europa constant. Een Noors kerkgewaad gemaakt van Spaanse zijde (1250-1300) illustreert het bestaan van concrete contacten en een mobiliteit van materialen en kunstwerken over afstanden van duizenden kilometers. De mooie expositie maakt duidelijk dat de verbindende factor in de kerkelijke kunst van deze ‘hoge middeleeuwen’ bestaat uit de christelijke kerk en haar, overal in Europa gestandaardiseerde liturgie.

Interland Spanje-Nederland

Bij de interland Spanje-Nederland in het Rijksmuseum zijn dergelijke historische overwegingen van ondergeschikt belang. De catalogus benadrukt dat het gaat ‘om de onderliggende aspecten, het dieperliggende gehalte van kunst, de behoefte om kunst te maken, de redenen om met kunst te leven’. De verwondering waartoe dat uitgangspunt kan leiden wordt geïllustreerd door de voorstelling van een halfnaakte, biddende kluizenaar door Jusepe de Ribera die is gekoppeld aan Jan Lievens’ Stilleven met boeken. Het slappe vel van de oude man en het versleten leer van de folianten vallen onder de karakterisering ‘huid als perkament’. Beide schilders hebben op de voorgrond een wat verdwaald kadetje geschilderd. Het tekstbord wijst op de vergankelijkheidsymboliek in de schilderijen, maar concludeert ook nogal laconiek: ‘toch liggen er ook twee verse broodjes, vreemd’.