Jean-Baptiste Reddé bij protest tegen pensioenhervorming in Parijs, 20 oktober 2010.

Foto Charles Platiau / Reuters

Hij is bij bijna elke demonstratie: ‘Mijn woede is te groot’

Beroepsactivist Fransman Jean-Baptiste Reddé (62) demonstreert vaak en opvallend: met brandweer en gele hesjes, tegen pensioenhervorming, voor vrede.

Geteld heeft hij niet. „Geen idee in hoeveel demonstraties ik heb meegelopen.” Maar het waren weer drukke dagen. Hij demonstreerde afgelopen maand tegen hervorming van de pensioenen en voor het klimaat, hij stond zij aan zij met EHBO-artsen en brandweermannen die betere arbeidsomstandigheden eisten en hij maakte een uitstapje naar Londen om de vrijlating van Julian Assange te bepleiten. En dan zijn er nog de wekelijkse marsen van de gele hesjes. Sinds november vorig jaar miste hij er geen een.

Voltuan noemt hij zich – ‘internationaal activist’. Maar voor de burgerlijke stand heet hij Jean-Baptiste Reddé. Hij is 62 jaar oud en voormalig onderwijzer. Dichter ook, van de getourmenteerd-romantische soort. Hij publiceerde een paar bundels met eigen werk en schreef boekjes over Virginia Woolf en Sylvia Plath. Sinds 2011, toen hij vervroegd met pensioen ging, demonstreert hij alsof zijn leven ervan afhangt. „Fulltime”, zegt hij. Soms meermalen op een dag. Hij is beroepsactivist. En ja, zijn leven hángt ervan af.

Wie in Frankrijk het actiewezen ook maar een klein beetje volgt, kan hem niet missen. Bij vrijwel ieder protest, groot of klein, staat hij prominent middenin de boze menigte. Hij is voor Franse begrippen lang, bijna twee meter. Boven zijn hoofd torst hij een stuk foamboard van 1 bij 1,40 meter met in altijd dezelfde gekleurde typografie een bij het demonstratiethema passende tekst. „Het is echt zwaar om zo’n bord urenlang omhoog te houden”, zegt hij. „Ik doe niet aan sport, ik ben geen stevige jongen. Mijn armen doen permanent pijn. Maar mijn woede is te groot. De wereld moet menselijker.”

Ik sprak hem aan tijdens het protest van brandweermannen, in oktober. Hij stond midden op Place de la République tussen dampende potten die oranje rook uitbraakten. ‘Pompiers en colère’, meldde het bord dat hij deze keer omhooghield. Aan de andere kant: ‘Climat social dégradé’, sociaal klimaat beschadigd. Al zes jaar woon ik vlak achter het favoriete demonstratieplein van Parijs en al zes jaar zie ik hem bij om het even welke ‘manif’ aansluiten. Tussen de gigantische vuurwerkknallen door vroeg ik hem waarom hij dit eigenlijk deed. Hij is toch geen brandweerman? „Convergence des luttes!” was het antwoord.

Bij een protest in 2016 tegen een nieuw vliegveld in de buurt van Nantes.Foto Lucas Barioulet / AFP

Dat is, sinds mei 1968, bij linksdraaiend Frankrijk een gevleugeld begrip. Het betekent zoiets als ‘samenkomst van de strijd’. Alleen als alle activistische neuzen dezelfde kant op staan en alle arbeiders gelijktijdig het werk neerleggen, is revolutie haalbaar. Maar de rivaliserende Franse vakbonden zijn het al zelden onderling eens, laat staan de vele andere organisaties die zeggen te strijden voor een betere wereld. Voltuan gaf me zijn telefoonnummer. Een paar dagen later kon hij me ontmoeten in een café bij de Sorbonne-universiteit.

Hier, in een soort opslagruimte met gestapelde stoelen achterin de zaak, beschildert hij zijn panelen, zegt hij. Hij heeft er twee onder zijn arm die bedoeld zijn voor de demonstratie van gele hesjes, een dag later. ‘Fin du mois, fin du monde: même combat’: eind van de maand, eind van de wereld, zelfde strijd. Het is een parafrase van ex-milieuminister Nicolas Hulot, die tijdens de hesjescrisis vorig jaar probeerde uit te leggen dat koopkracht en klimaatbeleid niet hoeven te botsen. ‘Staatsmisdaden: macronie schuldig’ staat op een ander bord. Dat gaat over het politiegeweld bij demonstraties.

Liberale barbarij

„Het is vreselijk wat ze allemaal doen”, zegt hij hevig gesticulerend tegen een verbaasd kijkende barman. „De repressie, het is onvoorstelbaar. Een brandweerman is tijdens de demonstratie een oog verloren door een politiegranaat.”

De barman: „En waarom weten we dat niet?”

Voltuan: „De media, de media! Die lopen allemaal achter Macron aan. Achter Macron en zijn wereld, de één procent, zoals we altijd zeggen. De kranten zijn in handen van miljardairs, er wordt tegen ons gelogen.”

De barman: „Het gaat alleen maar om financiën. Allemaal propaganda.”

Voltuan: „Heel goed, je begrijpt het mon ami. Morgen weer gele hesjes, hè, daarom heb ik deze borden meegebracht. Ik verheug me erop.”

Hij gaat zitten, bestelt koffie. „Ik hou ervan om te discussiëren. Ik praat met iedereen hè, zelfs met dieren. En soms met bomen, zoals de indianen.” Hij lacht er zelf even om.

In 1968, zegt hij, waren er op het hoogtepunt 9 miljoen Fransen die het werk hadden neergelegd. „Maar nu, in 2019, zijn er duizend maal meer redenen om in opstand te komen! De sociale urgentie is zoveel groter: je hebt mensen met lage pensioenen, mensen die werkloos zijn, iedereen die flexibel moet werken. Het is toch vreselijk dat in allerlei beroepen mensen zelfmoord plegen? Het is moderne slavernij, onverdraaglijk. En je hebt het klimaat, de biodiversiteit, de pesticiden. Het is een kritiek moment voor de mensheid. Belastingontduiking is ook een probleem. Syrië, Soedan, genocide! Het is te veel. En we hebben geen democratie, het volk wordt steeds weer door zijn leiders overlopen.”

Het activisme is jong begonnen, vertelt hij. „Als je jong bent, kijk je op een andere manier naar de wereld. Dan zie je horror, genocide en vervuiling.” Dat was in Le Mans, in West-Frankrijk. „Thuis was er geen liefde”, zegt hij. „Mijn ouders zijn uit elkaar gegaan, mijn moeder heb ik niet gekend. Ik ben geboren in revolte.” Hij studeerde later in Angers en gaf les als invalkracht. Als hij in Parijs moet zijn, dan logeert hij bij activistenvrienden. Soms trekt hij zich terug in de Bourgogne, waar hij een flatje heeft. „Zelfs toen ik officieel nog werkte meldde ik me wel eens ziek om te kunnen demonstreren. Ik durf dat nu wel te zeggen.”

Bij een protest in 2016 tegen een nieuw vliegveld in de buurt van NantesFoto Sebastien Salom-Gomis / AFP

Maar over zijn privébestaan – of het gebrek daaraan – praat hij niet graag. Over zijn acties des te liever. Uit een rugzakje haalt hij een geschiedenisboek dat Franse middelbare scholen gebruiken. Hij bladert naar een hoofdstuk over sociale verhoudingen. „Hier sta ik!” Hij wijst naar een foto uit 2010 bij een demonstratie tegen pensioenhervorming die hem beroemd maakte. ‘Écoutez la colère du peuple’, staat op zijn bord. Hij tussen vakbondsvaandels en rookwolken: luister naar de woede van het volk. Een paar pagina’s verder is hij te zien bij een scholierenprotest in 1995. „Hier ben ik zo trots op. Die foto’s gingen de wereld over.”

Leed niet doorgeven

Sommige politici hebben bijgedragen aan online-crowdfundingactie waarmee hij, toen het geld weer eens op was, materialen en reiskosten kon betalen. Met overslaande stem praat hij over wereldverbeteraars voor wie hij ontzag heeft. Een indianenleider, een geel hesje, de sociaal bewogen filmmaker Ken Loach. Maar vooral vrouwen, zoals Inna Shevchenko, oprichtster van de feministische actiegroep Femen. „Ik heb mijn moeder niet gekend. Feministen nodigen me uit voor hun demonstraties. Ik vind dat echt een eer, als man zijnde.”

Kritiek is er ook. De linkse krant Libération verweetMonsieur 100.000 révoltes’ exhibitionisme. Hij zou zich opdringen en de echte demonstranten met zijn opvallende teksten onzichtbaar maken. In 2015 stond heel Place de la République vol met demonstrerende Afrikaanse migranten, maar de foto in de krant toonde Voltuan met een bord ‘Refugees need help and love’. Cameramensen zouden inmiddels opdracht hebben hem niet meer in beeld te brengen.

„Sommige mensen zijn jaloers omdat ik altijd in beeld ben”, zegt hij. „Dat is echt een minderheid hoor. Mensen bedanken me meestal, vaak ook in de metro. Ze geven me tijdens een demonstratie te eten en te drinken omdat ze weten dat ik mijn handen niet vrij heb.” Maar bij een protestmars tegen politiegeweld onder de noemer ‘Black Lives Matter’ ging het een keer echt mis. Hij hield een bord met ‘All Lives Matter’ omhoog en werd weggejoeld. „Mensen hebben me later uitgelegd dat die tekst wordt gebruikt door racistische blanken in de VS. Dat wist ik echt niet, ik heb me verontschuldigd. Het heeft me erg geraakt.”

Hij somt de thema’s op die hem aan het hart gaan: „sociale rechtvaardigheid, respect voor het milieu, voor mensen en dieren, vrede, democratie.” Een demonstratie van conservatieve katholieken tegen kunstmatige bevruchting van vrouwen zonder man liet hij eerder deze maand links liggen. Die waren niet „progressief”, zegt hij. „Maar je zou je kunnen afvragen of je niet de voorkeur zou moeten geven aan adoptie. Het is te makkelijk om een kind te krijgen en veel mensen nemen vaak kinderen om de verkeerde redenen. Als onderwijzer heb ik veel kinderen gezien die van hun ouders geen liefde kregen. Dat is vreselijk.”

Voltuan valt even stil, kijkt de andere kant uit. „Gaat dit over u?”, vraag ik.

Lees meer over demonstreren: Laat zien dat je met veel bent en verstoor de openbare orde

Hij begint een tirade over politici die hun beloftes niet nakomen. Noemt nog wat internationale conflicten en citeert wat snedige teksten van zijn eigen actieborden. Dan: „Ik heb geen kinderen, want ik wil mijn leed niet doorgeven. Ik ben het gelukkigst in een demonstratie. Het voelt alsof je met duizenden mensen tegelijk de liefde bedrijft. Er is solidariteit en eenheid, dat is zo mooi”, zegt hij. „Mijn ouders hielden niet van elkaar. Mijn moeder heb ik nooit gekend, zoals ik al zei. Ze heeft zelfmoord gepleegd.” Jean-Baptiste Reddé was toen 22 jaar oud.