Dhaka, stad van de eeuwige inferno’s

Brandgevaarlijk De hoofdstad van Bangladesh is een van de dichtst bevolkte steden ter wereld. En door een gebrek aan planning, inspecties en verantwoording ook een van de brandgevaarlijkste. „Het had veel erger kunnen aflopen.”

Acht leden van één familie wonen in een tent nadat hun sloppenwoning bij de brand in augustus werd verwoest.
Acht leden van één familie wonen in een tent nadat hun sloppenwoning bij de brand in augustus werd verwoest. Foto Fabeha Monir

De geur van verkoold hout hangt nog in de lucht. Nur Islam (62) lijkt het niet meer te ruiken. Bijna drie maanden zijn verstreken sinds die avond in augustus toen vlammen zijn sloppenwijk in het noorden van Dhaka reduceerden tot een kale vlakte bezaaid met geblakerde brokstukken en plastic wikkels. Het leven gaat door.

Op blote voeten in sandalen baant Nur zich een weg door de puinhoop. Afgebroken bamboe. Gebarsten porselein van een hurktoilet . Hij heeft zijn muren nog, zegt Nur als hij aankomt bij wat van zijn huis over is. Het ooit grijze cement is verkleurd als het binnenste van een schoorsteen.

Hun meubels, de televisie, het beetje geld dat Nur opzij legde voor het Offerfeest. Allemaal weg. Maar hij wil niet te veel klagen. Het gros van zijn buren woonde in huizen opgetrokken uit bamboe en tinnen golfplaten. Geschat wordt dat toen de vuurzee doofde, ruim 10.000 van hen dakloos achterbleven.

Lees ook: Bangladesh heeft weinig geleerd van eerdere branden

De omvang van de brand in de sloppen van Mirpur, waarvan bewoners riksja’s besturen en werken in de nabijgelegen textielfabrieken, was zelfs voor Dhaka een nieuw dieptepunt. De uitpuilende hoofdstad van Bangladesh is berucht om haar verwoestende inferno’s. Alleen al dit jaar vielen bij twee grote branden elders in de stad bijna honderd doden.

Gelukkig niet in Mirpur. Daar bleef het dodental op nul. Vanwege de feestdagen waren de meeste bewoners naar hun geboortedorpen vertrokken. „Het had veel erger kunnen aflopen”, zucht Nur, die net van zijn werk als kok terugkeerde toen hij de rookpluimen zag. Samen met zo’n 300 anderen leeft hij nu tussen de resten. „Waar moeten we anders heen?”

Die vraag is niet gek. Dhaka is geëxplodeerd. Telde de hoofdstad in 1980 volgens de Wereldbank zo’n drie miljoen inwoners, vandaag zijn dat er bijna achttien miljoen. Dagelijks komen er minstens duizend nieuwelingen bij. Zij zijn verdreven uit hun kustdorpen en rivierdelta’s door de gevolgen van klimaatverandering, of worden gelokt door betere economische kansen.

Grauwe sloppen

Het resultaat is een van ’s werelds dichtst bevolkte steden waarvan volgens deskundigen nog geen tien procent is gepland. Waar de gebouwen hoger werden en de straten nauwer. Waar het groen verdween om plaats te maken voor grauwe sloppen. Waar elektriciteitskabels in grote zwarte kluwen boven de stoep bungelen.

Een klein vonkje is hier al genoeg. ‘A city where the spectre of fire loomsschreef de landelijke krant The Daily Star dit voorjaar. Vrij vertaald: een stad waar het schrikbeeld van brand altijd aanwezig is. Een dag eerder was het weer zover: een brand brak uit op de achtste verdieping van een toren die er 22 telde – vier meer dan waar toestemming voor was.

Op beelden die omstanders met hun telefoon maakten, is te zien hoe mensen zich in veiligheid proberen te brengen door zich naar beneden te laten zakken via kabels en draden die langs het gebouw hingen. Er vielen 26 doden, ruim 70 gewonden.

Die brand bewees weer dat overbevolking slechts een deel van het probleem is. Het onderzoek is officieel nog niet afgerond, duidelijk werd wel dat de toren in Banani, één van Dhaka’s chiquere wijken, geen sprinkler-systeem had, geen adequate nooduitgangen, geen brandblussers.

Er is niemand die ervoor zorgt dat mensen zich aan de regels houden

Abu Naser Khan milieuactivist in Dhaka

In Dhaka is dat regel, geen uitzondering. In The Daily Star werd een studie van de lokale brandweer uit 2017 aangehaald. Van de bijna 3.800 gebouwen die op brandveiligheid waren onderzocht – van hotels en universiteiten tot ziekenhuizen – werden slechts 129 níet als ‘risicovol’ of ‘extreem risicovol’ bestempeld.

Een soortgelijke inventarisatie van de bouwautoriteit in Dhaka kwam recent tot vergelijkbare bevindingen. Van de ruim 1.800 hoogbouwpanden die zij inspecteerden, had bijna een derde niet eens een nooduitgang.

Hoe dit kan? Een combinatie van corruptie, een gebrek aan inspecties en een bouwcode met bijbehorende verplichtingen die pas sinds 2006 officieel van kracht is – het overgrote merendeel van de stad stamt van voor die tijd.

„Er is niemand die ervoor zorgt dat mensen zich aan de regels houden”, zegt ook milieuactivist Abu Naser Khan (61). Mede doordat de hoofdstad wordt bestuurd door een wirwar aan departementen met overlappende verantwoordelijkheden. Khan: „Het is lastig die allemaal te coördineren.” Gaat het mis, dan wordt vaak naar de ander gewezen.

De brandweer is volgens de voorman van milieugroep Poribesh Bachao Andolan (Poba) te onderbemand. Vorig jaar moesten bijna 20.000 branden in de hoofdstad worden geblust. Het jaar ervoor ruim 18.000.

Het gevaarlijkste stukje Dhaka is het bijna 400 jaar oude centrum. In nauwe straten huizen magazijnen waarin illegaal chemicaliën worden opgeslagen, ook voor de textielindustrie. Volgens de voorzichtigste schatting zijn het er zeker duizend. In dezelfde gebouwen huizen families, winkeltjes en kleine particuliere ziekenhuizen.

In het oude centrum van Dhaka zijn veel magazijnen waarin illegaal chemicaliën worden opgeslagen, elektriciteitskabels bungelen er boven de stoep Foto Fabeha Monir

Geen pottenkijkers

Pas op. Khan trekt de verslaggever net op tijd weg van een gemotoriseerde riksja die luid rinkelend voorbij scheurt. Hij wijst naar een deur waaruit grote zakken worden getild. „Dit zou een garage moeten zijn.” Dat is het niet. Op pottenkijkers zitten ze hier niet te wachten. Vijandige blikken. Nee, naar binnen gaan mag niet.

Khan, een zachte man met grijze haren die door henna zijn gekleurd, is geen onbekende. Met Poba ijvert hij er al jaren voor dat de chemische opslag hier naar de rand van de stad wordt verplaatst. Eerder dit jaar, na weer een vernietigende brand (zeker 70 doden), werd daar door de regering gehoor aangegeven. Althans: er werd eindelijk een speciaal gebied aangewezen waar de opslag voortaan moet plaatsvinden. Volgens Khan is er verder nog weinig van terechtgekomen. De eigenaren zijn te machtig, weet de milieuactivist.

„Je zou het wellicht niet zeggen als je rondloopt, maar je vindt hier veel miljonairs.” Zij hebben geen zin het levendige oude centrum te verruilen voor een plek met hogere huurkosten, meer regels, minder klanten.

In deze stad waar iedereen vecht om ruimte is grond duur. De uitdijende sloppenwijken staan daarbij in de weg. Het gerucht gaat dat de branden die hier geregeld uitbreken lang niet altijd een ongeluk zijn. In deze jungle van plastic en hout is destructie zo aangericht.

De regering laat het liever zo, bang dat er anders alleen maar meer migranten komen. In Korail, de grootste van alle sloppenwijken in Dhaka, wordt iets anders geprobeerd: de bewoners weerbaarder maken. Waar het vuur vandaan kwam dat in 2016 zijn huisje en bezittingen opslokte, weet Mohammed Rafiqul Islam (35) niet. Het was er ineens, en overal. Korail ligt aan een vijver, hij hield er alleen een litteken op zijn arm aan over.

Shaheda Begum
Nur Islam
Overlevenden van de brand in augustus in Mirpur.
Foto’s Fabeha Monir

Oranje fluorescerend vest

De vraag wat hij zou doen als zoiets weer gebeurt, wordt beantwoord met gerommel in een plastic bak die onder het bed is geschoven waarop twee kindjes slapen. Een oranje fluorescerend vest, een helm, mondkapje, handschoenen en laarzen.

Rafiqul, dagarbeider, is een van de honderd sloppenwijkbewoners die door de brandweer in Dhaka zijn getraind tot ‘vuurheld’: vrijwilligers die als eerste linie dienen als een brand uitbreekt en de brandweer nog niet ter plaatse is. Het is onderdeel van een pilotproject van BRAC, een Bengaalse ontwikkelingsorganisatie.

Wat er ook bij hoort: het uitdelen van honderden brandblussers en het installeren van alarmen die afgaan als de temperatuur hoog oploopt. In zijn nieuwe huis, een kamer van golfplaten en resthout, hangt het apparaatje naast een peertje aan het plafond. Zijn verworven vaardigheden heeft hij nog niet hoeven tonen.

In Mirpur, waar deze zomer brand uitbrak, hebben de bewoners wat anders aan hun hoofd: hun huis opbouwen. Zwartgeblakerde stukken grond zijn afgezet met linten die worden gebruikt voor de labels in kleding. 100 procent katoen staat erop. Wassen bij 30 graden.

De bewoners hoorden dat dit niet de bedoeling is, ze zouden elders een onderkomen krijgen. „Maar waar dan? Wanneer?”, vraagt de wanhopige Shahida Akhter met betraande ogen. Haar gerimpelde hand omklemt die van een jongetje in een Hello Kitty-shirt. Haar kleinzoon.

Shahida gokt dat ze ergens in de zestig is. Ze groeide op aan een rivier ten zuiden van Dhaka, die door erosie verder afbrokkelde. „Ik ben mijn grond al een keer kwijtgeraakt. Dat wil ik niet nog eens.”

Een gebouw in het oude centrum van Dhaka dat in februari door brand werd verwoest.Foto Fabeha Monir