Opinie

Desinformatie door Defensie laat Bijleveld slechts één keus

Burgerdoden

Commentaar

Het hoge woord is er dan toch eindelijk uit. Voor de in de nacht van 2 op 3 juni 2015 uitgevoerde luchtaanval op een opslagplaats van strijders van Islamitische Staat in het Iraakse Hawija waarbij meer dan 70 burgerslachtoffers vielen was een Nederlandse F16 verantwoordelijk. Minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) geeft dit toe in een maandag verstuurde brief aan de Tweede Kamer. Het was een onnodig lange en vooral duistere weg naar deze erkenning. En het is juist deze moeizame omgang met de herhaaldelijk beloofde transparantie die nu de nodige vragen oproept.

Natuurlijk is er ook het feit zelf: de aanval die in strijd met de veelvuldig uitgesproken intenties van de internationale anti-ISIS-coalitie waar Nederland deel van uitmaakte zoveel onschuldige slachtoffers maakte. Hoe kon dit gebeuren? Er bestaan uiterst zorgvuldige procedures die moeten voorkomen dat „nevenschade” ontstaat bij precisiebombardementen. Bij twijfel niet aanvallen, luidt het devies. Het is deze aanpak waar de internationale coalitie prat op ging.

In haar brief aan de Tweede Kamer schrijft minister Bijleveld dat er voorafgaande aan de aanval geen indicaties waren dat er burgerslachtoffers zouden kunnen vallen. Maar aangezien in de bommenfabriek die moest worden geraakt veel meer explosieven aanwezig waren dan bij Nederland bekend was, ontstond er na de aanval een kettingreactie waardoor het schadegebied veel groter was met het grote aantal burgerslachtoffers tot gevolg. In de vastgelegde informatievoorziening is kennelijk wat misgegaan.

Een pijnlijke gang van zaken, maar niet één om te verbergen. Integendeel. Maar dat is precies wat er de voorbije vijf jaar is gebeurd. Vanzelfsprekend zijn valide argumenten te bedenken om terughoudend te zijn bij het verschaffen van informatie. Veelal gaat het dan om operationele zaken die de vijand, in dit geval de strijders van IS in de kaart kunnen spelen. Maar dit mag geen gelegenheidsargument worden om in het geheel geen mededelingen meer te doen.

Minister Bijleveld schrijft in haar brief aan de Tweede Kamer dat nu pas openheid gegeven kan worden omdat Nederland sinds eind vorig jaar niet meer met gevechtsvliegtuigen meedoet aan de anti-ISIS-coalitie en er daarom geen directe risico’s meer zijn voor de operationele en personele veiligheid. Het lijkt nogal gezocht, aangezien de strijd in de lucht tegen IS door een aantal landen gezamenlijk werd gevoerd.

Niet informeren zonder gegronde redenen is al ernstig maar desinformeren is zonder meer ontoelaatbaar. Dat is wat de toenmalige minister Jeanine Hennis (Defensie, VVD) deed door eind juni 2015 tot tweemaal toe te ontkennen dat door Nederlands toedoen burgerslachtoffers waren gevallen. Want sinds 15 juni beschikte het ministerie van Defensie reeds over een rapport van het Amerikaanse opperbevel CENTCOM dat bij de door Nederland uitgevoerde luchtaanval burgerdoden waren gevallen.

Minister Bijleveld erkent dat het parlement destijds verkeerd is geïnformeerd. Beter had er niets gezegd kunnen worden, meent zij. Maar er is nogal een verschil tussen niet-informeren en verkeerd informeren. Daarbij komt dat het om een zeer ernstige zaak gaat waarbij een van de grondrechten van het parlement in het geding is. Hoe hardvochtig het wellicht moge lijken voor de persoon, volgens de staatsrechtelijke mores draagt de huidige minister hiervoor de volledige verantwoordelijkheid. Bijleveld dient zich af te vragen of zij nog wel kan aanblijven.