Waarom leraren niet blij zijn met 460 miljoen

Onderwijs Alleen drastische maatregelen kunnen het lerarentekort nog oplossen. Maar welke?

Leraren en ouders verzamelen op het Wilhelminaplein voor een protestmars naar het Excelsiorstadion.
Leraren en ouders verzamelen op het Wilhelminaplein voor een protestmars naar het Excelsiorstadion. Foto Jerry Lampen

Leg maar eens uit waarom je níét blij bent met 460 miljoen.

Jan van de Ven, leraar op de Montessorisschool in Venray en voormalig voorman van actiegroep PO in Actie, heeft een nuchtere vergelijking paraat: „Stel, je hebt een huis met een lek dak en je krijgt een warmtepomp. Dan blijf je zitten met een lek dak. Wij krijgen een heel duur cadeau, maar dat gaat vrijwel niets doen aan de grootste problemen in het onderwijs: we krijgen niet meer loon en ook niet meer leraren.”

Het lijkt inderdaad een mooi bedrag, de 460 miljoen die minister Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) afgelopen vrijdag beloofde om het lerarentekort aan te pakken. Met de nadruk op lijkt, zeggen leraren en hun vakbonden, die van „handig boekhouden” spreken.

Een deel van het bedrag, 97 miljoen, was in 2017 al toegezegd – het wordt nu alleen naar voren gehaald. Bovendien, en dat is het grootste bezwaar, is het nieuw toegezegde geld eenmalig, op 16,5 miljoen euro voor het voortgezet speciaal onderwijs na.

Daar kun je geen extra leraren voor aannemen, zegt Van de Ven.

Hij is bang dat opnieuw gebeurt wat eerder gebeurde na protesten van leraren: de minister geeft eenmalig extra geld, waar scholen vervolgens naar eigen inzicht iets mee kunnen doen. „En dan is het ieder voor zich.” De een koopt nieuwe computers, de ander vervangt de wasbakken. „Het geld verdwijnt in een zwart gat. Waarna de minister kan zeggen: ‘Wat is er met de miljoenen gebeurd die ik jullie heb gegeven?’”

Staking voorkomen

Die 460 miljoen lijkt vooral gericht op het voorkomen van een staking, denkt Frank Cörvers, hoogleraar onderwijs en arbeidsmarkt aan de universiteiten van Tilburg en Maastricht. „Leraren hebben niet veel aan een eenmalig bedrag. Het probleem zit ’m in het gebrek aan toekomstperspectief. Met de grote lerarentekorten waar we nu en in de nabije toekomst mee kampen, moet de politiek onmiddellijk aan de slag. De nood is aan de man.”

In de Randstad is die nood al zo hoog dat schoolbesturen en wethouders minister Slob begin dit schooljaar om een crisisaanpak hebben gevraagd. Er zijn zo weinig leraren, schreven ze in een brandbrief, dat scholen geen andere keuze hebben dan maatregelen nemen die niet goed zijn voor de onderwijskwaliteit – en ingaan tegen de wet. Zoals onbevoegden voor de klas zetten.

De schoolbesturen willen dat Slob antwoord geeft op de vraag wat ze onder deze omstandigheden wel en niet moeten bieden. Is het aantal wettelijk verplichte onderwijsuren nog haalbaar, en alle verplichte vakken? Als er wat vanaf mag, denken ze, kan het onderwijs voor zowel leraren als leerlingen aantrekkelijk blijven.

De steden hebben een lijst gemaakt met ‘crashscenario’s’ waarmee ze de wet overtreden. Sommige gebeuren al, andere (nog) niet. Leerlingen zó vaak naar huis sturen dat ze te weinig lesuren krijgen. Groepen samenvoegen van verschillende scholen. Functies als adjunct-directeur of intern begeleider afschaffen omdat iedereen voor de klas moet staan. Een vierdaagse schoolweek. Een schoolperiode vanaf vijf, in plaats van vier jaar oud.

„We moeten de grote vraag durven stellen hoe we het onderwijs anders kunnen organiseren”, zegt Ewald van Vliet, voorzitter van Stichting Lucas Onderwijs in Den Haag, waar 78 scholen onder vallen. Het lerarentekort loopt op: van 2.409 fte in 2020 in het basisonderwijs naar 10.370 fte in 2028; in het voortgezet onderwijs van 502 naar 1.641 fte. „Er is een noodpakket nodig – en iemand moet daarin de lead nemen”, zegt van Vliet. „De hele collectieve sector staat onder druk.”

Crisis in slow motion

Van Vliet spreekt van een crisis die in slow motion zichtbaar wordt: de effecten op de leerresultaten zullen pas over een paar jaar te zien zijn, maar doorwerken op alle onderwijssectoren.

Slob wil niet morrelen aan de wet. Maar als scholen een noodplan hebben, houdt de Onderwijsinspectie daar sinds een jaar wel rekening mee in het toezicht. Wat wel en niet mag, is dus per situatie verschillend.

Onderwijsadvocaat Wilco Brussee vindt dat zowel ouders als scholen daardoor niet weten waar ze aan toe zijn. „Ik mis een regierol bij Slob. Hij is verantwoordelijk voor het stelsel en zou met een noodwet duidelijk moeten maken welke maatregelen hij acceptabel vindt. Hij is wel bezig met oplossingen voor de lange termijn, maar er is ook een korte termijn: scholen zitten nú in een crisis en maatregelen die binnen de wet vallen, zijn allang niet meer voldoende.”

Lees ook: Duizenden kinderen schrijven brief aan onderwijsminister Slob

Er zijn intussen wel meer mensen die leraar willen worden, zegt hoogleraar Cörvers. Maar het duurt een paar jaar voordat de eerste groep nieuwe Pabo-studenten voor de klas staat. En de zij-instromers, die uit een andere sector in het onderwijs komen werken, zijn volgens schoolbesturen een ‘druppel op een gloeiende plaat’.

Bovendien: met alleen een paar cohorten nieuwe leraren is het probleem niet opgelost, zegt Cörvers. „Te veel leraren haken af door de hoge werkdruk en door salarissen die gemiddeld lager zijn dan in andere banen op vergelijkbaar hbo-niveau.”

30 procent minder salaris

En dan is er nog het salarisverschil tussen het basis- en voortgezet onderwijs. Leraar Van de Ven: „Zij-instromers leveren gemiddeld 30 procent salaris in als ze les gaan geven in het basisonderwijs en 10 procent als ze kiezen voor het voortgezet onderwijs. Voor welke klas zou jij dan kiezen?”

Als 460 miljoen niet genoeg is, hoeveel geld is er dan wél nodig?

Ongeveer een miljard om de salariskloof tussen het basis- en voortgezet onderwijs te dichten, volgens Van de Ven, als je ook schoolleiders en ondersteunend personeel meetelt. Tel je alleen de leraren, dan blijft er 560 miljoen over. Structureel.

De PO-raad zet in op een iets lager bedrag, 423 miljoen euro structureel. Niet genoeg om alle problemen op te lossen, wel om de nodige stappen te zetten „zonder dat we het onmogelijke van de regering vragen”, aldus de vereniging van schoolbesturen.

Peter Althuizen, voorzitter van de snel groeiende vakbond Leraren in Actie, vindt ook dat de salariskloof weg moet, maar dat niet alleen. „Slob geeft een zak geld en zegt: zoek maar uit wat je ermee doet. Dat werkt niet. De minister is aan zet. Er is een aanpak voor de lange termijn nodig voor het primair én voor het voortgezet onderwijs.”

Ik staak wel: ‘Het lukt, maar vraag niet hoe’

Foto’s Novi Zijlstra

Martine van Leeuwen-Zuidam (43). Staat 22 jaar voor de klas, werkt op de Timotheüsschool, een christelijke basisschool in Linschoten.

„Natuurlijk staak ik, want het bedrag dat nu is toegezegd door de minister helpt niet. Dan kunnen we over twee jaar weer gaan staken.

„Het is bijna gênant om niet te werken. Dat gevoel hebben veel collega’s, juist omdat we zo veel van ons vak houden. Misschien is die liefde voor ons vak wel de bottleneck: we hebben het veel te ver laten komen.

„Ik was ontzettend verbaasd toen ik vrijdagavond hoorde dat de staking werd afgeblazen. Hoe bestaat het dat een vakbond die mijn belangen behartigt niet eerst zijn achterban raadpleegt? Hier maken ze geen vrienden mee.

„Lesgeven is het mooiste vak van de wereld. Je staat dicht op de ontwikkeling van een kind. Daar geniet ik na 22 jaar nog elke dag van. Maar het is drukker en complexer geworden. We hebben kinderen in de klas die vroeger naar het speciaal onderwijs gingen. Dat kost meer tijd, meer zorg. Ben ik na schooltijd in de weer met zorginstanties bellen en formulieren invullen. Terwijl ik die tijd zo hard nodig heb om lessen voor te bereiden.

„Ook de ouders zijn veranderd. Ik waardeer hun betrokkenheid, echt. Maar de toon is scherper geworden. Dat een kind thuis geconcentreerd met z’n Lego speelt, betekent niet dat-ie zich in een klas ook kan concentreren. En ouders willen dan toch per se een vwo-advies.”

„Vorig jaar kregen we extra geld van de minister om iets te doen aan de werkdruk. Het resultaat is dat ik nu als ondersteunend docent in de bovenbouw werk. Daar hebben we écht iets aan. Het geeft lucht.

„Maar is het genoeg? Nee. Mijn grootste zorg is het gebrek aan docenten. De minister zegt dat ouders dan maar moeten invallen. Maar weten ouders hoe je kinderen de procenten aanleert? Of hoe je omgaat met een kind dat autisme heeft? Ik ga toch ook niet even een paar dagen invallen voor een verpleger of een tandarts?

„We vullen de gaten nog net, maar vraag niet hoe. De directeur staat soms voor de klas en ik spring bij. Ouders merken het nog niet, maar ik hou mijn hart vast.”

Ik staak niet: ‘Zelfs ónze school merkt het al’

Erik-Jan Hakvoort (28), docent geschiedenis en afdelingsleider en Noémi Erkelens (26), docent Duits aan scholengemeenschap GSG Guido in Arnhem.

Hakvoort: „Eigenlijk zou ik zeggen: natuurlijk moet je staken! De manier waarop Nederland omgaat met zijn leraren is niet goed. Dat vereist actie. Maar wij merken er hier niet zoveel van. We zijn een klein schooltje: 230 leerlingen, 30 leraren. Ons bestuur heeft gezegd: als jullie willen staken, prima, maar het leeft niet zo.” Erkelens: „We zitten in een luxere positie dan de meeste scholen. Er is hier maar één klas met 30 leerlingen.”

Hakvoort: „Maar ook wij beginnen last te krijgen van het lerarentekort. Begin dit schooljaar hadden we drie vacatures die we met hangen en wurgen hebben opgevuld. Als wíj het hier al merken, hoe erg moet het dan wel niet in het westen zijn?”

Erkelens: „Je merkt ook aan andere dingen dat het schraler wordt. Mijn lokaal werd elke dag schoongemaakt, maar sinds dit jaar wordt er nog maar eens per twee weken geveegd.” Hakvoort: „Docenten moeten zelf hun lokaal opruimen.” Erkelens: „Prima, maar vroeger werd de vloer gewoon iedere dag gedweild. En kijk eens naar dit gebouw: wc’s van voor de oorlog, enkel glas. Het is hier óf snikheet óf ijskoud.”

Hakvoort: „Dramatisch. Bouwkundig is hier al twintig jaar niet geïnvesteerd. Ons salaris is een paar jaar geleden wel verhoogd met een paar procent. Ik klaag niet: als je als jonge docent begint, verdien je best goed. Maar over vijf jaar zit ik aan het eind van mijn schaal. Hoe hou je mensen vast, als ze niet kunnen doorgroeien?” Erkelens: „Die salarisverhoging scheelde een paar tientjes op de loonstrook.”

Hakvoort: „Het vak van leraar wordt niet meer gezien als superbelangrijk. Het heeft geen prioriteit en geen status. Het wordt bijna gezien als iets dat je alleen maar doet uit liefde voor kinderen.”

Erkelens: „Of ze zien je als een brave burger die nog elke dag naar school fietst uit nobele motieven. Mensen denken: als je écht niet weet wat je moet doen, kun je altijd nog leraar worden.”

Hakvoort: „Dat dedain is faliekant verkeerd. Daar moet iets veranderen. Het is echt een heel goed vak. Leraren zijn specialisten, net zoals artsen specialisten zijn. En die zijn nodig.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Waarom de leraren niet blij zijn met 460 miljoen

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.