Het lerarentekort lijkt resistent tegen welk beleid dan ook

Leraren Er komt geld tegen het lerarentekort. Maar dertig jaar beleid laat zien: structureel veranderen kabinetten niets. Vier oorzaken van het lerarentekort.

Leraren voeren in De Vereeniging in Nijmegen actie tegen lage salarissen en hoge werkdruk, in 1997.
Leraren voeren in De Vereeniging in Nijmegen actie tegen lage salarissen en hoge werkdruk, in 1997. Foto Cor Mulder

Vooral in de grote steden zijn leraren steeds moeilijker te vinden. Maar zelfs College de Heemlanden in Houten, een welgestelde gemeente aan de rand van de Randstad, begint het tekort aan leraren te merken. Leraar wiskunde Frans van Haandel: „Vacatures blijven steeds langer open, zeker in mijn vakgebied. Sollicitanten die zich wel melden, hebben vaak niet de juiste opleiding. Het lukt uiteindelijk nog wel de bezetting rond te krijgen, maar het wordt ook hier steeds lastiger.”

Hoe is het mogelijk, vroeg Van Haandel zich twee jaar geleden af. Kabinet na kabinet belooft het lerarentekort te bestrijden. En toch loopt het alleen maar op. Volgend jaar komt het basisonderwijs 2.409 voltijdbanen aan leraren en directeuren tekort, het voortgezet onderwijs 502. In 2028 zal het volgens de meest recente ramingen gaan om respectievelijk 10.370 en 1.641 leraren.

Samen met een collega ging hij rekenen, hij deelde zijn conclusies in een door de Onderwijsraad bekroond artikel op zijn blog. Geld alléén is het probleem niet, schreef hij. Sterker nog: heel vaak is er juist extra geld. Tussen 1998 en 2012 kreeg het voortgezet onderwijs bijvoorbeeld 1,4 miljard euro extra per jaar. Maar het kwam niet, of veel te weinig, op de goede plek terecht. Het reële salaris van leraren in het voortgezet onderwijs daalde volgens de berekening van Van Haandel tussen 2002 en 2015 alleen maar. En de klassen werden steeds groter. Van Haandel: „Hier gaat iets helemaal mis.”

Lees ook: ‘Het lerarentekort is een nationale ramp’

Kijk naar dertig jaar onderwijsbeleid, en je snapt waarom veel leraren de afgelopen dagen geen genoegen namen met de 460 miljoen euro die minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) beloofde om het lerarentekort aan te pakken. Slob kwam met de vakbonden en werkgevers overeen dat dat geld grotendeels eenmalig besteed zou worden aan hogere salarissen, een lagere werkdruk en het werven van nieuwe leraren. Het is niet genoeg, zegt de overgrote meerderheid van de scholen. Structureel beleid ontbreekt.

En zo doet Slob wat zijn voorgangers de afgelopen decennia ook deden, zegt hoogleraar onderwijssociologie Marc Vermeulen, verbonden aan de Universiteit van Tilburg: „Het handhaven van de status quo.” En dat, zegt hij, is al heel vaak geprobeerd.

Regelmatig beloofden ministers extra geld, maar het bleef vrijwel altijd bij eenmalige uitgaven – zelden werd er vooruit gedacht

Het lerarentekort, zegt Vermeulen, heeft altijd bestaan. „Al in de jaren veertig van de vorige eeuw werden leraren vrijgesteld om in Indië te vechten, omdat Nederland leraren tekort kwam.” Wat ook altijd bestaan heeft: plannen om er iets aan te doen. Vermeulen: „Er is geïmproviseerd, er is gesappeld, maar het lerarentekort is opvallend beleidsresistent.”

Hoe dat kan? Vier oorzaken, gedistilleerd uit vier decennia van goede bedoelingen, mislukkingen of ronduit verkeerde keuzes:

1 Beleid is contraproductief

„Gaatjes vullen”, zo typeert hoogleraar Marc Vermeulen het onderwijsbeleid van de afgelopen decennia. „Er wordt nooit ver vooruit gedacht, waardoor beleid altijd achterloopt.” Beleidsmakers reageren op een acuut probleem, maar lange-termijnoplossingen worden niet bedacht. Zo werden aankomende leraren in het midden van de jaren tachtig ontmoedigd een vak in het onderwijs te kiezen, omdat toenmalig minister Deetman (CDA) rekening hield met een toekomstig overschot aan leraren. Ook werden, in het later beruchte hos-akkoord, salarissen bevroren. De gevolgen daarvan, zegt Marc Vermeulen, zijn vandaag nog merkbaar. De aanmeldingen op lerarenopleidingen kelderden. „En dat terwijl het overschot aan leraren een korte en unieke periode was.”

De jaren daarna, toen de tekorten snel opliepen, trok de overheid zich bovendien terug. Scholen kregen geld waarmee ze zelf konden beslissen welk beleid ze wilden voeren. Frans van Haandel: „Dit klonk logisch, maar in de praktijk kon de overheid niet langer centraal lerarenbeleid voeren. Scholen gingen elkaar beconcurreren en meer geld besteden aan marketing, prestigieuze projecten en managementondersteuning. Daarom belandde het extra geld niet bij meer leraren.”

Grootste vraag in steden, Zeeland en Gelderse Vallei

2 Beloftes zijn verbroken

Regelmatig hebben ministers van Onderwijs extra geld beloofd om het lerarentekort te bestrijden. Maar het bleef vrijwel altijd bij eenmalige uitgaven. Op cruciale momenten kwamen kabinetten op eerdere beloftes terug. Zo zegde het tweede Paarse kabinet, aan het einde van de jaren negentig, miljarden toe voor de verbetering van lerarensalarissen. Toen Jan Peter Balkenende (CDA) premier werd, in 2002, bleek daar geen geld meer voor te zijn. Minister Maria Van der Hoeven ging zwaar, 650 miljoen euro, bezuinigen op de arbeidsvoorwaarden van leraren. Lerarensalarissen stonden hierna nog jaren stil. In 2008 zegde toenmalig minister Ronald Plasterk (PvdA) een miljard euro toe voor de aanpak van het lerarentekort. Maar kort hierna brak de economische crisis uit. Het kabinet voerde in 2010 een ‘nullijn’ in, waardoor de inkomens van docenten achter gingen lopen met die in andere beroepen.

3 Noodkreten zijn genegeerd

Ronald Plasterk luisterde naar de adviezen in een ‘crisisplan’ van een commissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan. „De tijd dringt”, schreef de commissie in 2007. Een „zeer hoog tekort” aan leraren dreigde. En het ontbrak, schreef de commissie, aan slim beleid. „Het probleem is al meer dan vijftien jaar bekend, maar een lange lijst van eerdere beleidsmaatregelen leverde tot nu toe teleurstellend weinig effect op.”

Rinnooy Kan vond niet alleen dat leraren beter betaald moesten worden, hij stelde ook voor de kwaliteit van leraren te verbeteren, door te proberen academisch geschoolde docenten te vinden. De economische crisis, die kort hierna kwam, had twee gevolgen: er was geen geld, en het probleem was even minder zichtbaar. Mensen verloren hun baan en vluchtten naar het onderwijs. Rinnooy Kan, nu: „Maar dat was een korte-termijneffect. Politici moeten verder kijken dan de horizon van hun eigen kabinetsperiode. Maar dat is altijd een hachelijke opgave.”

De commissie-Rinnooy Kan was niet de eerste die dit lot trof. Een commissie onder leiding van Andrée van Es waarschuwde in 1993 al tevergeefs voor het oplopende lerarentekort. In 2001 schreef de commissie-Van Rijn, onder leiding van toenmalig ambtenaar Martin van Rijn, dat lerarensalarissen aanzienlijk moesten verbeteren. De conclusies werden aanvankelijk politiek omarmd, maar korte tijd later, tijdens een economische dip, weer vergeten.

4 Het onderwijs is conservatief

Schoolbesturen en onderwijsbonden, zegt hoogleraar Marc Vermeulen, willen twee dingen: ze willen dat het probleem van het lerarentekort wordt opgelost, maar ze willen óók dat aan verworven rechten niet getornd wordt. „Beleidsmakers willen vaak wel, maar zitten opgesloten in een systeem waar innovatie matig gewaardeerd wordt. Arbeidsproductiviteit is bedroevend laag, technologisch is er nauwelijks vooruitgang, vergeleken met andere sectoren.”

Een gemiddelde leerling in het voortgezet onderwijs let bij een goede docent ongeveer twintig van de vijftig minuten op, zegt Vermeulen „Als we daar 25 minuten van kunnen maken, hebben we al 20 procent van de productiviteit gewonnen. Die kunnen we elders dan weer bezuinigen. Kinderen maken proefwerken in de les, waar ze niks van opsteken. Waarom kan dat niet anders? Ik gaf laatst les aan kinderen uit groep 8. ‘Kan een robot lesgeven?’, vroeg iemand. Vast niet helemaal, dacht ik, maar waarom wordt er nooit verder gekeken dan de korte termijn? Het lerarentekort zal er altijd wel blijven, misschien moeten we dat besef gebruiken om eens creatief over het vak na te denken.”