Opinie

Waar het om gaat bij het nieuws over de burgerdoden in Irak: dit wisten we niet

De ombudsman

Het is een cliché van de oorlogsjournalistiek: het eerste slachtoffer van een oorlog is de waarheid. Of, militaire variant: het eerste wat sneuvelt, is het aanvalsplan. Vaak met catastrofale gevolgen voor burgers.

NRC en NOS brachten deze maand samen een onthullend onderzoek naar een Nederlandse bombardementsmissie in Irak waarbij in juni 2015 ten minste zeventig burgers omkwamen. In de bommenfabriek van IS die het doelwit was, lagen volgens Defensie meer explosieven dan bekend was.

Enkele tientallen lezers reageerden geïrriteerd of verontwaardigd. Rode draad: waarom moesten we dit „oude nieuws” over zes pagina’s uitgesmeerd krijgen; beseft de krant wel dat oorlog een smerig bedrijf is; en mogen we misschien ook opgelucht zijn dat met deze voltreffer aanslagen zijn voorkomen en dus mogelijk meer mensenlevens zijn gered? Veel lezers drukten hun sympathie uit met de piloot van de noodlottige missie.

Je kunt die reacties hardvochtig vinden, en sommige waren dat ook (dit was een „koekje van eigen deeg’’, schreef een lezer).

Maar laten we over het verhaal eerst eens vaststellen: dit wisten we niet. In april 2018 maakte Defensie bekend dat bij vier geanonimiseerde incidenten in Irak mogelijk burgerdoden waren gevallen – maar dat was alles. The Guardian maakte gewag van een bombardement waarbij zeventig doden waren gevallen, onduidelijk was of dat een van de vier Nederlandse incidenten was.

De verdienste van het zorgvuldige NRC-NOS-onderzoek is dat het aantoont wat de Nederlandse betrokkenheid was en wat er in Irak gebeurde – overigens met cruciale open vragen. The New York Times deed vergelijkbaar onderzoek naar Amerikaanse bombardementen. Dat is wat journalistiek moet doen – het hoort bij de publieke taak van de pers.

NRC en NOS werkten samen, nadat de omroep de krant had benaderd omdat die al een reeks reportages had gebracht over de Nederlandse F-16’s in Jordanië. De verslaggevers (voor NRC Binnenland-redacteur Kees Versteegh en Israël-correspondent Jannie Schipper) wisselden gegevens uit en bezochten het gebied. Schipper was, voor zij bij NRC kwam, al betrokken bij ‘Europe’s Hidden War’, een internationaal journalistiek onderzoeksproject naar de Europese rol in Irak en Syrië.

Versteegh vat het belang van het stuk zo samen: „Nederland voert oorlog, mede onder toezicht van het parlement. Het beleid is erop gericht burgerslachtoffers zoveel mogelijk te voorkomen. Die omstandigheden maken het relevant om uit te zoeken hoe het eraan toegaat.” Hij benadrukt dat de verslaggevers geen oordelen hebben willen vellen, maar de feiten wilden geven, voor zover ze die konden vaststellen.

Dat verklaart ook de harde kop waarmee de krant het nieuws bracht, zegt hij: Nederlandse bom doodde 70 mensen. Sommige lezers vinden dat een verkeerd accent, alsof de krant Nederland wilde aanklagen. In elk geval ging de discussie daarna direct over de vraag of het militaire handelen nu een schande was geweest of juist, zoals luchtmachtofficieren zeiden in een vervolgartikel van Versteegh, „vakmanschap”.

Was een nieuwskop als Defensie verzweeg burgerdoden dan misschien beter geweest? Die had de nadruk in elk geval gelegd op democratische controle en publieke verantwoording. Voor NRC is het kardinale punt immers dat deze feiten niet bekend waren en dat het kabinet of Defensie er na het ellendige incident geen volledige openheid over heeft gegeven.

Nee, zegt Versteegh, want of er actief iets is verzwegen, is maar de vraag. Het parlement kreeg die summiere informatie over vier geanonimiseerde incidenten, of de zaak daarnaast aan de orde is geweest in de parlementaire commissie ‘stiekem’ voor fractievoorzitters kon hij niet uitsluiten. Dus meldde de kop het nieuwswaardige feit dat in het onderzoek inmiddels wél honderd procent zeker was: het noodlottige bombardement op Hawija was een Nederlandse missie geweest.

Intussen ligt blijkens het artikel een belangrijke vraag nog open, ook volgens de auteurs. In het onderzoek duikt een informant op die beweert de coalitie te hebben gewaarschuwd dat in de fabriek veel meer explosieven lagen dan gedacht. Of dat klopt, en of zijn informatie de Nederlanders heeft bereikt, is onzeker, aldus het artikel. Daar zal Defensie uitsluitsel over moeten geven.

Voor de beoordeling van de zaak is dat uiteraard relevant. In militaire ethiek bestaat verschil tussen onbedoelde schade aan burgers die was voorzien en zulke schade die niet was voorzien – en bij de laatste dan weer tussen schade die had kunnen worden voorzien of niet. Het militaire belang moet worden afgewogen tegen wat eufemistisch wel collateral damage heet.

Opvallend is dat veel kritische lezers voetstoots uitgaan van het voor Defensie meest gunstige scenario: onbedoelde schade die niet te voorzien was en die niet opweegt tegen het militaire belang. Anderen maakt het niet uit, ook al was de schade te voorzien. Hoe dit zit, zal moeten blijken – en is dan ter beoordeling van het parlement. Als dat oordeel er komt, is het dankzij dit onderzoek.

Tot slot een kanttekening: bij zo’n gevoelig verhaal blijft het zaak feiten maar ook onzekerheden scherp in het oog te houden. In de nuttige NRC-podcast Vandaag waarin Versteegh over het onderzoek vertelde, gaat dat niet helemaal goed. Gaandeweg het gesprek kan een formulering van de presentator (dat de coalitie was gewaarschuwd maar „toch” ging bombarderen) de indruk wekken dat dit feiten zijn. Versteegh trekt dat later recht, maar zoiets kan verwarring zaaien – en daarvan is er in oorlog al genoeg.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.