Zij plaatste kosmische kilometerpaaltjes

Ze waren belangrijk voor de wetenschap, maar deze vrouwen stonden in de schaduw.

Vaak is wetenschap teamwerk. Daarom kunnen vanaf volgend jaar ook teams meedingen naar de jaarlijkse Spinozaprijzen die met enige overdrijving de Nederlandse Nobelprijzen worden genoemd. De echte Nobelprijzen houden intussen nog even het beeld in stand dat onze kennis sprongsgewijs toeneemt dankzij luttele zeldzaam geniale geesten – lees: mannen – én dat er tussen hun ontdekkingen verder niet zoveel baanbrekends gebeurt.

Zorgde zo’n zienswijze er ook voor dat Henrietta Swan Leavitt stilaan wat vergeten raakte? Leavitt, een zonnige domineesdochter die opgroeide in Cleveland, was één van de vrouwelijke rekenaars – ‘computers’ – die aan het begin van de twintigste eeuw bij de Harvard University de opnames van sterrenkundigen analyseerden. De vrouwen hadden vaak een goede vooropleiding. Leavitt zelf was afgestudeerd aan de Society for the Collegiate Instruction of Women van de Harvard Universiteit (tegenwoordig Radcliffe) dat vrouwelijke studenten een uitgebreide bacheloropleiding bood. En ze blonk uit in wiskunde.

Maar ook Leavitt moest bij het ‘rekenen’ simpelweg doen wat haar werd opgedragen. Meestal was dat saai routinewerk, zoals eindeloos vaak en precies de helderheid en de positie van sterren bepalen en in tabellen vastleggen. Zulke klussen voerde Leavitt, die tijdens een reis door Europa doof was geworden, eerst onbezoldigd uit. Vanaf 1902 kreeg ze er 30 dollarcent per uur voor en een pietsje meer aanzien. Toch konden zelfs die hiërarchische regels en het eindeloze routinewerk haar talent niet doven. Saaie tabellen of niet, juist Leavitt ontdekte de astronomische meetlat die de diepte van het heelal blootlegde.

Leavitt moest bij het ‘rekenen’ simpelweg doen wat haar werd opgedragen

Wie had dat verwacht toen ze cepheïden, superheldere sterren, in de Kleine Magelhaense Wolk in kaart moest brengen? Astronomen wisten al dat cepheïden als knipperlichten aan de hemel staan en met vaste regelmaat in helderheid variëren. De opmerkzame Leavitt zag bovendien dat cepheïden langzamer knipperen, naarmate ze helderder stralen. Bijzonder werd het toen Leavitt meteen besefte dat deze eigenschap van cepheïden geweldige kosmische kilometerpaaltjes maakt.

Want: de snelheid of traagheid van hun geknipper verraadt hun maximale helderheid – tot wel duizend keer helderder dan de zon. En is de waargenomen helderheid veel zwakker, dan moet het licht wel van ver komen. Net zoals koplampen in de verte minder verblindend zijn, dan wanneer ze pal in je gezicht schijnen. Het cepheïden-meetsysteem hoefde, kortom, enkel nog ‘geijkt’ te worden en Leavitt wist al hoe. Een paar nabije cepheïden, waarvan de afstand uit hun schijnbare beweging kon worden afgeleid, konden als ijkpunt dienen, schreef ze.

Het was alleen onbestaanbaar dat Leavitt zo’n project zelf zou ondernemen. De directeur van het observatorium in Harvard, Charles Pickering, vond haar werk wel belangwekkend genoeg om het onder zijn eigen naam te publiceren (overigens met de opmerking dat Miss Leavitt een en ander had voorbereid). Maar astronoom Ejnar Hertzsprung voerde het ijkproces uit waardoor de methode praktisch kon worden toegepast.

De grootste toepassing van haar werk maakte Leavitt daarna niet meer mee. Zij was aan kanker overleden, toen Edwin Hubble in 1929 de uitdijing van het heelal ontdekte door haar kosmische kilometerpaaltjes te combineren met de door zijn collega Vesto Slipher gemeten roodverschuivingen in sterlicht. Volgens de overlevering zou Hubble, net als veel collega-astronomen, wel vaak hebben gezegd dat Leavitt een Nobelprijs voor Natuurkunde had verdiend.

Zou het beeld van de wetenschap als product van geniale mannelijke enkelingen wat eerder zijn gekanteld als Leavitt die prijs inderdaad had kunnen krijgen? De vondst blijft hoe dan ook: dat we het firmament niet langer als een vlak laken vol speldenprikje zien, is mede aan Leavitts bijdrage te danken.