Recensie

Recensie Boeken

Lévi Weemoedts proza maakt aan het lachen én ontroert

Dit boek bevat de ‘mooiste verhalen’ uit het oeuvre van de dichter-schrijver, dat sinds de publicatie van ‘Pessimisme kun je leren’ in 2018 een wonderbaarlijk soort wederopstanding beleeft. (●●●●)
Foto via Singel Uitgeverijen

Lévi Weemoedt (1948, pseudoniem van Izaäk Jacobus van Wijk) is zijn leesbril kwijt. Hij ligt niet onder de krant, niet op het bureau, zou de jonge hond des huizes hem hebben verschalkt? ‘Het had tenslotte de geur van de baas’, schrijft Weemoedt. ‘Een andere, minder vleiende hypothese kon zijn dat hij het dingetje geroofd had om het buiten op te zetten en mij belachelijk te maken tegenover andere honden uit de buurt. Wat kennen we onszelf?’

Het verhaal ‘De wet van het leesbrilletje’ is een van de drie nooit eerder gepubliceerde verhalen van Weemoedt die samensteller Vic van de Reijt koos voor de bundel De scherven van het geluk. Het boek bevat de ‘mooiste verhalen’ uit het oeuvre van de dichter-schrijver, dat sinds de publicatie van Pessimisme kun je leren in 2018 een wonderbaarlijk soort wederopstanding beleeft. Een ongekende 90.000 exemplaren werden er verkocht van die gedichtenbundel, door Özcan Akyol samengesteld uit eerdere publicaties van Weemoedt. De dichtbundel is inmiddels genomineerd voor de NS Publieksprijs.

Ineens is Weemoedt, alsnog, een gevierde dichter. En zijn proza is evenzeer de moeite waard als zijn poëzie, zo blijkt uit De scherven van het geluk. Het kloeke boek is gevuld met ontzettend veel leuks en verrassends. Regelmatig moest ik hardop lachen, om droge zinnetjes zoals hierboven: ‘Wat kennen we onszelf’, om de overdrijvingen, de woordkeus, de slapstick. Weemoedts stijl is sterk verwant aan auteurs als Hans Dorrestijn, Bob den Uyl en Thomas Verbogt (in zijn verhalen). Malheur, misverstanden, gestoethaspel, spleen: het zijn de lotgevallen van een schlemiel, die hij beschrijft, de oenigheid hoopt zich op. Alles is herkenbaar, maar erger.

Als Weemoedt sinds een week getrouwd is, komt hij, in ‘Brood op de plank’, bijvoorbeeld een vreemde bakkerij uitgestapt. In zijn armen heeft hij maar liefst vier broden. Precies op dat moment loopt zijn kersverse echtgenote langs. Zij vermoedt direct een schaduwgezin, een geheim liefdesnest… De uitleg die volgt – iets met suffen in volle winkel, opschrikken, eenmaal aan de beurt, stotterend een ‘vier-vier-viergranenbrood’ bestellen en dan niet durven zeggen dat je er maar eentje wilde – is niet eens wat het verhaaltje zo geestig maakt. Dat is vooral de innige verzuchting die volgt: ‘Waarom wás ik zo?’

In een behoorlijk deel van de verhalen in deze bundel wordt gereisd. In beginsel is Weemoedt van mening dat er hoogmoed schuilgaat in de wens ‘de plek te verlaten waar je thuishoort en naar een land te gaan waar je niets te zoeken hebt’. Reizen is, naar zijn idee, vragen om moeilijkheden. Toch bezoekt hij regelmatig vreemde oorden. Soms geeft hij zich zelfs op voor een excursie. In het schitterende verhaal ‘Paranormaal onbegaafd’ leert hij wichelroedelopen van ene ‘Wigbert Veer’: ‘een naam die al een heel natuurgeloof op zichzelf was’.

Ontroeren doet vooral het verhaal ‘De vriendin van mijn jeugd’. Als kind van een explosief ouderpaar vond Weemoedt een veilig heenkomen bij een lieve oom en tante. Hier trok hij vooral op met nicht Nel: ‘Nel was ‘niet goed’, zoals de mensen toen zeiden’. Weemoedt vindt mooie woorden voor haar gedragingen. Zo zie je helemaal voor je hoe ze ‘handenwringend en murmurerend’ rondloopt wanneer ze hem niet vindt bij verstoppertje (zelfs niet als hij roept vanuit zijn schuilplaats). Eenmaal volwassen belandt Nel in een tehuis. Haast teder is het verslag van zijn late, zo late bezoek aan haar daar.