‘We zijn niet meer het vieste jongetje van de klas’

Nederlands klimaatbeleid Op de eerste ‘klimaatdag’ is het kabinetsbeleid voor de reductie van de CO2-uitstoot doorgerekend. Het gestelde doel komt nabij, maar de prognoses hangen van onzekerheden aan elkaar.

Foto Walter Herfst

Nieuw jaarlijks ritueel: klimaatdag. Net als op Prinsjesdag wordt het kabinetsbeleid beoordeeld en doorgerekend, maar nu op effecten voor het klimaat. De allereerste klimaatdag-doorrekening van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), vrijdag gepubliceerd, laat zien dat de uitstoot in 2030 met 43 tot 48 procent kán zijn afgenomen ten opzichte van 1990. Dan moet het wel lukken alle plannen uit te voeren die in het klimaatakkoord uit juni staan. En dat hangt grotendeels af van hoe voortvarend gemeenten, provincies, boeren, burgers, vervoerders, woningverhuurders, fabrieken en energiebedrijven aan de slag gaan met warmtenetten, zonnepanelen, isoleren, verzwaren van elektriciteitsnetten en verduurzamen van de landbouw. De eerste klimaatdag in zes opvallende zaken.

Klimaatdag: Nederland doet het beter, maar niet goed genoeg

1 Is het kabinet goed of slecht bezig?

Het definitieve klimaatakkoord uit juni is na ingrijpen van de coalitie steviger dan waar de onderhandelaars aan de klimaattafels vorig jaar mee kwamen, concludeert het PBL. Vooral de maatregelen in de industrie zijn steviger, maar ook in landbouw en gebouwde omgeving neemt de uitstoot sterker af door nieuwe maatregelen of subsidies. Zo kunnen burgers hun woningen verduurzamen met een lening uit een op te richten warmtefonds.

Alleen in het vervoer valt de uitstoot hoger uit. Dat komt deels doordat het kabinet besloot elektrische auto’s minder lang te subsidiëren.

Het kabinet heeft niet alles in de hand. De uitstoot van broeikasgas is afhankelijk van de economische groei, technologie, brandstofprijzen en internationale politiek. Het Planbureau voorspelt dat olie- en gasprijzen de komende jaren lager uitkomen. Daardoor neemt het gebruik toe en de uitstoot dus ook.

Het PBLzegt niet of het kabinet meer moet doen. „Dat is aan de politiek.” Wat het kabinet wel kan doen: zorgen binnen de bandbreedte van 43 en 48 procent uitstootreductie zo hoog mogelijk uit te komen. Pieter Boot, sectorhoofd klimaat en energie van het PBL: „Niet de makkelijke uitwerking kiezen maar de stevige.”

Planbureau: het kabinet haalt de klimaatdoelstelling niet

2 De industrie is cruciaal

De fel bediscussieerde CO2-heffing voor de industrie die minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) voorbereidt, is cruciaal om in de buurt te komen van de 49 procent reductie die het kabinet wil. De industrie levert zo’n groot aandeel in die vermindering dat elke verzachting van de heffing grote gevolgen heeft voor de klimaatdoelen als geheel.

Het kabinet is van plan een belasting in te voeren die bedrijven moeten betalen als ze meer CO2 uitstoten dan boven een bepaalde grens. Industriële bedrijven die hun uitstoot niet verminderen, betalen daardoor als het ware een boete. Daarnaast krijgt de industrie 550 miljoen euro subsidie om productieprocessen schoner te maken. Hoe hoog de CO2-heffing wordt, is nog niet bekend. Hij gaat 1 januari 2021 in.

3 In de sector vervoer neemt de uitstoot toe

Politiek ligt het gevoelig de traditionele autobezitter op de korrel te nemen. Toch betreurt Boot dat de reductieplannen bij mobiliteit aan effectiviteit verliezen. Juist daar zijn de kosten relatief laag. „Elektrisch rijden is in 2030 zo goedkoop dat CO2-reductie hand in hand gaat met kosten besparen. Rijden op benzine is tegen die tijd veel duurder dan rijden op elektriciteit.” Bijvoorbeeld omdat de prijs van accu’s sterk daalt.

4 De raming van het PBL is inherent onzeker

De emissieprognoses hangen van onzekerheden aan elkaar. Daalt de gasprijs met een cent, dan kan dat er al voor zorgen dat Nederlandse gascentrales de stroomproductie van Duitse bruinkoolcentrales overnemen. Dat is goed voor de uitstoot in Europa; kolencentrales stoten meer CO2 uit dan gascentrales. Maar de Nederlandse uitstoot neemt wel toe.

Minstens zo belangrijk is de onzekerheid over de uitvoering van voornemens. Neem het plan elke wijk in Nederland aardgasvrij te maken. Gemeenten moeten burgers zo ver krijgen. Het PBL vraagt zich af of zij daar voldoende bevoegdheden en ondersteuning van het Rijk voor krijgen.

Ander voorbeeld: het PBL voorspelt een „spectaculaire toename van zonne- en windenergie” tot bijna twee derde van de stroomproductie in 2030. Maar provincies stuitten de afgelopen jaren al op verzet tegen windmolenparken en weides met zonnepanelen. Boot is toch optimistisch. „De nieuwe windmolenparken komen vooral op zee. En zonnepanelen kunnen ook op daken van bedrijfsgebouwen.”

De grootste opgave is verandering van de complete energieinfrastructuur. Kabels, leidingen, netten en buizen moeten nieuw worden aangelegd, verzwaard of aangepast, bijvoorbeeld voor warmte in plaats van gas.

5 Wat kost het de burger?

Het klimaatbeleid gaat burgers minder kosten dan eerder verwacht, blijkt uit de doorrekening van het klimaatakkoord door het Centraal Planbureau. Begin dit jaar ontstond grote zorg over de kosten voor burgers. De energieprijzen stegen sneller dan verwacht en in combinatie met de snel stijgende energiebelasting liep de energierekening hard op. In maart besloot het kabinet de belastingstijging te verzachten. Dit jaar neemt die belasting met gemiddeld 130 euro toe, in 2020 daalt hij met 100 euro en na 2021 stijgt de belasting weer. Al met al gaat een doorsnee huishouden er in 2030 1 procent op achteruit, schat het CPB. Voor de ingrepen van het kabinet was dat 1,5 procent, voorspelde het CPB in maart.

6 Loopt Nederland nu voor of achter?

In het Nederlandse klimaatdebat hoor je zowel ‘Nederland loopt achter in Europa’ als ‘Nederland loopt voorop in de klimaathysterie’. Volgens het PBL kloppen beide typeringen niet.

Boot: „We kunnen niet meer het vieste jongetje van de klas worden genoemd.” Daarvoor stijgt het belang van hernieuwbare energie in Nederland de komende jaren te sterk. Vergeleken met omringende landen wordt Nederland een goede middenmoter. Boot wijst op België. „Daar is het klimaatbeleid een rommeltje. Er zijn veel regeringen die elkaar zó tegenwerken. Wij doen het beter.” Nederland loopt in sommige opzichten ook voor op Duitsland. „Hier worden in 2030 alle kolencentrales gesloten. Duitsland draait nog om die beslissing heen.” Frankrijk loopt gelijk op. „De regering daar heeft helder, doordacht, van bovenaf opgelegd beleid maar is overvallen door de protesten van de gele hesjes.” Het Verenigd Koninkrijk loopt voor op Nederland. „Het Britse beleid lijkt wel wat op dat van ons, maar ze zijn tien jaar geleden al begonnen.”