Opinie

Wat goed is, mag soms niet

Claudia de Breij

Claudia de Breij

Halverwege de rails stokte het gordijn. De kinderen moesten naar bed en ik dacht de dag geroutineerd dicht te trekken toen ik werd afgeleid door een totaal onverwacht straatbeeld. Waar vanuit dit raam normaal jakkerende pizzabezorg-e-bikes, wankele studenten en andere fietsforensen te zien waren, stond het nu vol politiewagens en ME-busjes. De hele straat was afgesloten, agenten met helmen en een plastic beschermruit voor hun gezicht stonden paraat.

„Wat is dat?”, vroegen de kinderen met een mengeling van angst en het vrolijke vermoeden langer op te kunnen blijven. „Dat is denk ik voor de krakers”, zei ik. In onze straat staat een pand al heel lang leeg. Het verpaupert elke dag meer; een conflict tussen de projectontwikkelaar en de buurtbewoners over de bestemming maakt dat het voor de eigenaar kennelijk het beste is het vooralsnog leeg te laten. Nu zitten er krakers in en ze lopen, lees ik op mijn telefoon, met zwarte hoodies en witte maskers over het dak. „Dat mag toch niet?”, vraagt de jongste. „Nee,” zeg ik, „eigenlijk niet. Maar omdat je geld hebt iets maar gewoon kopen en het leeg laten staan tot je je zin krijgt terwijl heel veel mensen een huis nodig hebben is ook niet zo netjes.”

Of projectontwikkelaars of krakers de slechteriken zijn, heb ik verder maar in het midden gelaten – opvoeden is ook af en toe een witregel laten vallen. Ik kuste de kinderen goeienacht en ging buiten kijken – ze wilden morgenochtend horen hoe het was afgelopen. Busjes, politiewagens, afzettingen, rood-wit lint. De Albert Heijn was dicht, alles lag stil. De sfeer onder ons, de toeschouwers, was lacherig, gemoedelijk en een beetje opgewonden. Rellen! Hier? Niks voor onze buurt.

Een man in een heel duur overhemd naast me was niet onverdeeld enthousiast over de pandjesbaas, zei hij, noch van huis uit kraak-minded – maar dit vond hij toch wel mooi. Er moest iets gebeuren. Ons verhaal had geen goeierik en slechterik. 


Toen kwam het meisje dat vandaag chefdienst had bij de Albert Heijn naar buiten. „We kunnen het toch niet meer verkopen”, zei ze, en ze deelde manden vol broden uit aan de buurt. „We gooien het anders toch weg”, zong onze supermarktmanager, boven het gegrom van de kettingzaag uit waarmee de politie het pand forceerde. Een voor een droegen ze de krakers, haast behoedzaam, het pand uit.


De volgende ochtend had ik mijn kinderen vers volkoren én een goed verhaal te bieden. Het meisje dat brood uitdeelde, was de heldin. Zij was de goeierik, besloten we. Van de anderen wisten we het niet precies. „Maar mág je dan kraken?”, vroegen de kinderen. „Nee”, zei ik. „Kraken mag niet. Maar het kan toch goed zijn. Zo’n huis leeg laten staan mag wel, maar het is eigenlijk niet goed. Wat goed is, mag soms niet. En wat niet goed is, mag soms wel. En dat jongens, dat is waar de moraal begint”, oreerde ik. „Ja hoor”, antwoordden ze afwezig, alweer verloren in een game op hun scherm waarin zij de goeieriken waren.