‘U bent lang niet gevallen’

Reportage wijkverpleegkundige De wijkverpleging krijgt steeds meer te doen. ‘Soms zie je aan hun gezicht hoe druk ze zijn.’
De heer Versnel en mevrouw Kuhr.
De heer Versnel en mevrouw Kuhr. Foto uit de expositie Kracht van Binnenuit van Sake Elzinga.

In de ochtendschemering, om kwart voor acht, komen tien wijkverpleegkundigen uit een kantoor in Goirle. Op de rug van hun grijze jassen staat het logo van wijkverpleging Thebe. Onder hun arm klemmen ze tablets, voor de administratie. Één van hen is Manon Smolders (28), onderweg om tien mensen de dag in te helpen.

Zoals Nel (83). Ze heeft reuma en is soms benauwd. Smolders helpt haar met douchen en aankleden. „Soms zie je aan hun gezicht hoe druk ze zijn,” zegt Cor (80), de man van Nel, „maar ze haasten je nooit”.

„Vorig jaar ben ik behoorlijk hard gevallen”, zegt Nel. „Er was meteen iemand van ze bij. En om tien uur ’s avonds een telefoontje: hoe gaat het met u?”

„Het is een gouden team”, zegt Cor.

Nel: „Maar ik vind het heel jammer dat ze niet even een kopje koffie kunnen drinken.”

Thebe biedt in 22 gemeenten in west- en midden-Brabant wijk- en woonzorg. Alleen voor het wijkgedeelte staan al 105 vacatures open. Zo’n tekort is niet uitzonderlijk. De wijkverpleging heeft het steeds drukker door onder meer bezuinigingen bij verpleeginstellingen en door vergrijzing. Het aantal mensen boven de 75 zal tussen nu en 2040 verdubbelen, stelt het ministerie van Volksgezondheid.

Bij Stijn (30) draait Smolders met haar sleutel zijn deur open en belt tegelijk aan. Stijn heeft de spierziekte Duchenne en kan niet zelf zijn bed uit.

Pas geleden stond Smolders ook voor de deur, toen ze werd opgepiept. Iedere ochtend draagt één teamlid een pieper, bijvoorbeeld voor als een oudere valt. „Dan moeten we daar binnen een kwartier zijn”, zegt Smolders. „Ik liep naar binnen en zei: ‘Ik ben zo snel mogelijk terug, maar ik moet iemand gaan helpen die is gevallen’.”

Smolders tilt Stijn met een lift in zijn elektrische stoel. „Soms hebben we vier of vijf telefoontjes als we bij jou zijn. Dat is niet altijd even handig.” „Vooral voor jullie niet”, zegt Stijn. „Jullie moeten je in allerlei bochten wringen om het allemaal voor elkaar te krijgen.”

In de gangen van een ouderenflat in Goirle kent Smolders blind de weg. Zo’n 80 procent van haar patiënten is 75-plus. Al lopend belt Smolders met een slechthorende patiënt om te melden dat ze vandaag iets later is. Een ochtendpauze zit er niet in. „Maar het is echt leuk werk, hoor”, lacht ze. Dan, serieus: „Ik zou niets anders willen. Op een afdeling cardiologie ben je constant bezig met het hart. Op de longafdeling zijn veel mensen ontzettend benauwd. Hier zien we jonge mensen met een wond, oude mensen die komen te overlijden en alles ertussenin.”

„Oei. Je kunt wel zien dat ik laat ben, hè”, zegt Smolders. Bij Gabriella (90) die in een bruine leren stoel aan het raam zit, is in de loop van de ochtend vocht naar haar onderbenen gezakt, waardoor ze zijn opgezwollen. „Je kunt niet overal als eerste zijn”, sust Gabriella. Smolders trekt de vrouw haar steunkousen aan. Gabriella, grappend: „Ik loop niet weg.”

Bij een andere patiënt, een man van 83, hijst Smolders stevige braces over de enkels. De man vindt zijn tanende gezondheid te privé om met zijn naam in de krant te staan. Hij woont nog zelfstandig, met zijn 84-jarige vrouw. Heeft hij last van de drukte in de wijkzorg?

„Nou, ik ben er zelf verschillende keren onderwerp van geweest dat er iets misging.”

Smolders lacht.

„Dat heb ik netjes gezegd, of niet?”

„Dat heeft u heel netjes gezegd.”

„Ik ben superinstabiel”, zegt de man. „Inmiddels ben ik streng voor mezelf. Als ik met braces loop, doe ik dat achter een rollator. Heb ik die niet aan, dan zit ik in de rolstoel. Zo kan ik niet vallen.”

„U bent – ik moet het afkloppen – een paar maanden niet meer gevallen”, zegt Smolders. „Maar als u valt, dan valt u flink. Dan moeten we u met z’n drieën omhoog helpen. Want dat lukt me niet alleen.”

„Dat kan soms ook bij een ander gebeuren”, zegt de man „Die moet dan eerst hulp krijgen. Dan zijn ze wat later en hebben ze het érg druk. Dat merk je.”

De druk op de wijkzorg is er in het hele land. Bij de organisaties Meander in Limburg en Omring in Noord-Holland moest afgelopen zomer zelfs kantoorpersoneel bijspringen om personeel te ontlasten.

Soms zijn zulke organisaties gebaat bij nieuwe technologie. Zo werkt Thebe met Medido’s: apparaten die op bepaalde tijden zakjes medicijnen ‘uitspuwen’ en flink piepen. „Zolang dat goed gaat, kunnen we van vier medicatiemomenten per dag naar één keer per week”, zegt Smolders. „Dat scheelt enorm.”

Code: rood!

Een 83-jarige vrouw wier man dement is, klampt Smolders bij vertrek aan. „Met de familiebegeleider hadden we het over een extra keer wassen.” De familiebegeleider belt ’s middags, als Smolders op kantoor is. „Ik heb gisteren al vijf zorgaanvragen gekregen”, zegt Smolders. „Ik zal kijken, maar ik zit echt ramvol.”

Op een schrijfbord staat ‘Code: rood!’. Dat is jargon voor: er kan op dit moment geen patiënt bij. Dat is al zo’n vier weken zo. Sinds kort voeren de wijkverpleegkundigen wel een adviesgesprek met patiënten die zich aandienen. Om te kijken wat misschien nu al wel kan helpen. „We zoeken het probleem achter het probleem”, zegt Smolders. „Het vraagt een andere manier van denken, luisteren en doorvragen. Soms blijken mantelzorgers overbezorgd. Dan vragen ze de thuiszorg om de oudere te komen douchen. Maar als de band met de buren goed is, kunnen we die ook vragen een oogje in het zeil te houden.”