Marenne Jansen: „De KMA denkt ook al na over hoe je de opleiding minder gesloten en minder beschermd kunt maken.”

Foto Roger Cremers

‘Stiekem gedrag krijgt militair aangeleerd’

Marenne Jansen | Onderzoeker Eerst leer je alle regels en daarna leer je hoe je ze moet ontwijken. Cadetten aan de militaire academie krijgen gemengde signalen.

Week in, week uit waren de studenten van de Koninklijke Militaire Academie (KMA) gedrild in talloze regels, zelfs hoe je je bed opmaakt. En toen vertelde een majoor enkele cadetten dat ze deuren konden intrappen en dronken thuiskomen, zolang niemand het maar merkte. Sterker nog, hij vond studenten die zich aan de regels hielden „watjes”.

Die gespletenheid is kenmerkend voor gesloten en strenge instituten, vertelt onderzoeker en reservist Marenne Jansen: „Zeker voor ‘totaalinstituten’ als de KMA, waar je woont, slaapt, leert en werkt, kortom alles doet met steeds dezelfde mensen in – zeg maar – een gesloten afdeling. Eerst leer je de regels, en dan leer je hoe je je niet aan de regels hoeft te houden. Dat stiekeme gedrag kan als het vaak voorkomt een voedingsbodem worden voor schandalen.”

Over deze schandalen in de krijgsmacht met pesterijen, ontspoorde ontgroeningen en (seksuele) intimidatie, zijn de afgelopen jaren vele rapporten verschenen. De misstanden zijn niet het onderwerp van het proefschrift waarop Jansen vrijdag is gepromoveerd aan de Radboud Universiteit. Dat is een onderzoek naar militair leiderschap en de contrasten tussen de vaak hooggestemde idealen van de opleiding en de militaire praktijk. Zo waren Nederlandse militairen in Afghanistan voor de internationale veiligheid, maar klaagden ze uit pure verveling ’s ochtends om 7 uur al over het „gebrek aan bitterballen” in het kamp.

Het is een van de vele – fraaie – observaties van Jansen, die ze dankt aan haar etnografische aanpak. Zij was ‘embedded’ op de KMA en bij een uitzending naar Afghanistan, waarbij zij ongeveer 45 (jonge) militairen interviewde en een veelvoud daarvan observeerde. Door haar bevindingen te toetsen aan wetenschappelijke theorieën legt ze wel degelijk ook de diepere wortels van de schandalen bloot.

Zo past de dubbelzinnige boodschap van de KMA-majoor volgens Jansen in de ‘secondary adaptation’-theorie: „Die voorspelt dat mensen zich eerst aan de regels aanpassen en zich er vervolgens aan onttrekken door de underlife van een instituut te exploreren. Dat zou je een onbedoeld effect kunnen noemen. Maar het stiekeme gedrag wordt soms dus ook aangemoedigd en daardoor is die ‘secundaire aanpassing’ deels ook weer wel bedoeld.” Dat levert risico’s op misdragingen op.

Geen van die reacties raakt de kern van het probleem

 

Als (aanstaande) militairen zich inderdaad misdragen, dan zijn er in de krijgsmacht drie soorten reacties, zegt Jansen: „Eén: dit hoort erbij. Twee: dit zijn rotte appels, we ontslaan ze. Drie: het is een echt probleem, we maken nog meer regels. Geen van die reacties raakt de kern van het probleem.” Inmiddels kijkt bij de defensie-academie een taskforce naar de sociale veiligheid en is Jansen uitgenodigd voor een gesprek.

Je signaleert tal van discrepanties bij de opleiding. Wat viel je het meest op?

„Dat de cadetten van zichzelf en de krijgsmacht een geweldig beeld hebben, ook als dingen duidelijk niet geweldig zijn. Ze vertelden veel over thema’s als veiligheid en dood, terwijl maar langzaam tot ze doordrong dat ze ook gewoon nogal eens saaie lessen moesten volgen. ‘Imperfecte perfectie’, heb ik dat genoemd. Er wordt ook veel gesproken over de individuele ontwikkeling om een authentiek en zelfstandig leider te worden, terwijl de studenten tegelijkertijd in een systeem moeten passen. Voorbeeld: voor een college over leiderschap vroeg ik enkele cadetten om hun visie daarop te komen vertellen. Vervolgens kregen ze op hun flikker, omdat ze dit onder werktijd hadden gedaan.”

Is zo’n beschermde kostschool wel een goede plek om je voor te bereiden op het vaak chaotische slagveld?

„De setting doet – net als de hele standaardisering in de opleiding – inderdaad weinig recht aan de complexe werkelijkheid die ze later buiten aantreffen. Daar komt bij dat het instituut door de smartphone al meer doordringbaar is geworden en jongens en meisjes zo’n afgesloten wereld niet meer zo aantrekkelijk vinden. De KMA denkt ook al na over hoe je de opleiding minder gesloten en minder beschermd kunt maken. Dat laat ook zien dat meer regels niet zo veel zin hebben. Daarmee maak je een heel beschermde omgeving nog beschermder.”

Ik wilde een beeld krijgen van wat een goede leider is

 

Toen je na je bezoek aan Afghanistan terugkwam in Nederland hoorde je dat de pelotonscommandant was weggestuurd. Was dat een tegenvaller of een buitenkans?

„Oh, dat was vervelend hoor. Ik wilde een beeld krijgen van wat een goede leider is en ik had deze pelotonscommandant aangewezen gekregen met de mededeling: deze luitenant is heel goed, die kan je laten zien wat goed leiderschap is. Vervolgens werd hij overgeplaatst, omdat zijn eenheid hem niet accepteerde; zo’n overplaatsing komt echt zelden voor. Ik vroeg mij af of ik door mijn interviews met de manschappen, waarin ik steeds vroeg naar het leiderschap, het vuurtje niet had opgestookt. Maar een militaire collega zei, met het soort oneliner dat ik kenmerkend vind voor militairen: ‘Als het niet onder tafel ligt, dan krijg je het er ook niet op.’ Ofwel: mijn aanwezigheid heeft de zaak hooguit een beetje versneld.”

En wat lag er onder tafel?

„Het gevoel bij de manschappen dat de pelotonscommandant meer met zijn eigen carrière bezig was dan met hen. De commandant hield tijdens ritjes buiten de poort regelmatig halt om foto’s te maken voor hoger geplaatsten, tussenstops waarmee hij hen in gevaar bracht – in hun beleving. De manschappen wilden gereedschap waarmee ze net wat sneller konden herladen, maar de commandant durfde daar niet om te vragen bij zijn meerderen. De onvrede hierover had ik zelf ook wel gehoord, maar het duurde even voor ik er chocola van kon maken. Dat lukte uiteindelijk met de sociale identiteitstheorie, die kort gezegd gaat over in-groepen en uit-groepen. Ofwel: wie hoort er wel bij en wie niet? De commandant is nooit onderdeel geworden van de in-groep en is zo de acceptatie kwijtgeraakt. Een intern onderzoeksteam van defensie kwam trouwens tot vergelijkbare conclusies.”

De manschappen wilden gereedschap waarmee ze net wat sneller konden herladen

 

De sergeant-majoor, de ondercommandant, zorgt doorgaans dat de commandant in de groep wordt opgenomen. Wat was zijn rol?

„Het verhaal van de manschappen is dat hij te veel naar de commandant toetrok. Ik heb de commandant er ook over gesproken, maar die reageerde vrij formalistisch. Hij tekende een ‘harkje’, een schema met de taakverdeling, waarbij hij zich bezighield met de logistiek en hiërarchie. Naar mijn indruk heeft hij niet erg zijn best gedaan om onderdeel te worden van de groep.”

Hij kreeg ook de schuld van dingen waaraan hij niets kon doen toch?

„Dat klopt. Het peloton was ad hoc samengesteld en cruciale, ervaren sergeanten konden niet mee. Er was te weinig voorbereidingstijd om een eenheid te smeden. Vervolgens moesten de militairen, die waren opgeleid als verkenner, optreden als beveiliger. Ze voelden zich veredelde chauffeurs. Daar kon de commandant niets aan doen, maar hij had de manschappen wel beter kunnen uitleggen waarom hun taak toch belangrijk was.”