Opinie

Lagardes oproep tot bestedingen is wat ruw, maar terecht

begrotingsoverschot

Commentaar

Ze was nog niet officieel in functie en dus mocht het kennelijk nog: Christine Lagarde, per 1 november president van de Europese Centrale Bank (ECB), riep woensdag Duitsland en Nederland op om hun begrotingsoverschot te gebruiken om daarmee de economie op gang te houden. Het bij naam noemen van landen in deze context is ongebruikelijk. Maar nog geen drie weken geleden deed chef-econoom Gita Gopinath van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), waar Lagarde tot voor kort directeur van was, hetzelfde. Ook Gopinath riep Duitsland en Nederland, bij naam, op méér te doen met hun begroting.

Dit ‘naming and shaming’ kan worden opgevat als een vorm van spelverruwing. Anderzijds onderstreept het wellicht ook de frustratie en het onbegrip dat in het buitenland is gegroeid over het gevoerde begrotingsbeleid in Duitsland en Nederland.

Lagarde neemt bij de ECB de functie over van Mario Draghi. Die presideerde over een ongekend ruim monetair beleid. Dat beleid, met negatieve rentes en een recente hervatting van het opkopen van staatsleningen, is extremer uitgevallen dan wanneer overheden in de eurozone die de budgettaire ruimte hadden, die ook hadden gebruikt om de economie te steunen.

Duitsland en Nederland kunnen hier niet volledig over een kam worden geschoren. Het Duitse overschot is groter, met een verwachte 1 procent in 2020. In Nederland daalt het overschot dan al. Bovendien kent de Nederlandse economie een zodanige krapte dat het overheidsgeld niet zonder meer meteen kan worden besteed. Zie de moeite om doelen te formuleren voor het door de ministers Hoekstra (CDA, Financiën) en Wiebes (VVD, Economische Zaken en Klimaat) voorgenomen investeringsfonds.

Die mogelijkheid heeft Duitsland overigens niet of nauwelijks. Het effectieve Duitse verbod op begrotingstekorten, een voor de meeste economen volstrekt onbegrijpelijke maatregel, staat een flexibele omgang met de begroting in de weg. Nederland heeft dan weer een veel groter overschot dan Duitsland op de betalingsbalans met het buitenland, wat vaak wijst op onderconsumptie of -investeringen in eigen land.

In Haagse kring wordt ervan uitgegaan dat het noemen van Nederland tactisch van aard is, om te voorkomen dat Duitsland als enige aan de schandpaal staat. Dat betekent niet dat er niets in Lagardes oproep zit. De begrotingruimte mag best worden benut. Twee kanttekeningen passen hier. Allereerst kan het niet de bedoeling zijn dat nu zonder veel nadenken de bestedingen worden opgevoerd. Extra uitgaven moeten worden gericht op structuurversterking van economie en samenleving, of het beter nakomen van de NAVO-verplichtingen.

Tweede kanttekening is dat de critici zich moeten realiseren hoe Duitsland en Nederland aan deze begrotingsruimte komen. Alle afspraken rond de begrotingsdiscipline in de eurozone zijn er van meet af aan op gericht een begroting te bereiken die in balans is. Zo kan het overschot wat oplopen in goede tijden, en mag er bij tegenwind ook een tekort ontstaan zonder dat er dan meteen hard moet worden bezuinigd.

Duitsland en Nederland zijn in die positie, en dat is gebeurd door bewust beleid. Dit is zoals het euro-begrotingsregime was bedoeld, en het kan beide landen moeilijk worden verweten dat zij zich daar als enige eurolanden van betekenis aan hebben gehouden – al blijft het Duitse verbod op tekorten onzinnig. Lagarde heeft dus een punt. Maar het zou verstandig zijn als zij zich vanaf vandaag wel aan de etiquette houdt.