Recensie

Recensie Theater

In ‘Er zal iemand komen’ ontsnapt niemand aan de dreiging

Toneelstuk Jon Fosse Twee personages lopen tegen muren op die ze zelf opwerpen. Tegenover de statische dialogen in ‘Er zal iemand komen’ plaatst Liliane Brakema spannende bewegingen.

Joost Bolt en Wendell Jaspers in ‘Er zal iemand komen’.
Joost Bolt en Wendell Jaspers in ‘Er zal iemand komen’. Foto Jelmer Buitenga & Lex Vesseur

In Er zal iemand komen toont regisseur Liliane Brakema twee mensen die beschutting zoeken maar verstikking vinden. Ze zijn gevlucht voor de buitenwereld, maar kunnen vooral niet ontkomen aan elkaar.

De tekst van de Noorse toneelschrijver Jon Fosse ademt met zijn minimalistische, repetitieve karakter de sfeer van oneindige fjorden en overwoekerend isolement. Samen alleen en alleen met elkaar, dat is wat dit jonge koppel (Joost Bolt en Wendell Jaspers) zoekt. Ze betrekken een verlaten huis, „ver van andere huizen en andere mensen”. Maar amper afgezonderd voelen ze alweer de dreiging van die potentiele ander.

Die komt vervolgens ook, in de lichtelijk banale vertolking van Bram van der Heijden, al hebben zijn twee korte interferenties per saldo nauwelijks effect op het tweetal. Het vermoeden rijst dat ook zonder zijn tussenkomst een paranoïde jaloezie de kop op zou hebben gestoken.

De vier witte lijnen waarbinnen Jaspers en Bolt zich bewegen, lijken aanvankelijk hun nieuwe woning te representeren, maar gaandeweg blijkt dat niet per definitie zo te zijn. Een sterke vondst: de muren waar ze tegenaan lopen werpen ze immers zelf op, waar ze ook zijn. Hun zelfverkozen isolement staat compleet los van dat huis.

Joost Bolt en Wendell Jaspers. Ook in afzondering steekt paranoïde jaloezie de kop op.

Foto Jelmer Buitenga & Lex Vesseur

Brakema weet niet altijd raad met de tekst van Fosse. De dialoog tussen Jaspers en Bolt is vaak te vlak om te boeien en de statische dynamiek werkt dan eerder verlammend dan beklemmend. Maar daar tegenover ontwierp Brakema boeiend bewegingsmateriaal, waarin de spelers ineens spannende intenties aan hun onderlinge strijd meegeven. Achter hun woordloze choreografie van aantrekken en afstoten, gaan meedogenloos machtsvertoon, verlangen en seksuele wellust schuil.

Het is jammer dat taal en beweging uiteindelijk plichtmatig samenkomen in het laatste deel – dat daardoor veel te illustratief wordt. Het voelt alsof het materiaal dat de makers hebben ontwikkeld al op was, maar de tekst nog niet was afgelopen.

Correctie 2 november 2019: In een eerdere versie van dit artikel werd Giulio D’Anna genoemd als verantwoordelijke voor de bewegingen. Dit blijkt regisseur Liliane Brakema te zijn.