Portret Martiette Hamer (PvdA), voorzitter van de Sociaal Economische Raad (SER)

Foto: David van Dam

‘De SER heeft weer zelfvertrouwen. Er hangt weer vrolijkheid’

Interview | Mariëtte Hamer, voorzitter SER De Sociaal-Economische Raad leek zijn relevantie kwijt, maar het pensioenakkoord en adviezen over jongeren en vrouwenquota hebben de raad weer zelfvertrouwen gegeven.

Als fractievoorzitter van de PvdA raakte ze eraan gewend dat er altijd kritiek was op haar uiterlijk. Op haar halskettingen, haar Prinsjesdag-hoedjes. Op haar soms wat verkrampte optredens. Nu is ze alweer vijf jaar voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER) en ligt die tijd ver achter haar. De 61-jarige Mariëtte Hamer is in haar element.

Bij de SER draait het om verbinding – de raad is een overlegorgaan van werknemers, werkgevers en deskundigen – en is er alle ruimte voor nuance. Dat lijkt veel beter bij rasonderhandelaar Hamer te passen dan de vluchtigheid en gevatte oneliners in de Tweede Kamer. Eerder dit jaar speelde ze een sleutelrol in de totstandkoming van het pensioenakkoord. Dat onderwerp lag zó gevoelig dat de onderhandelingen negen jaar duurden. Betrokkenen vertelden in NRC hoe Hamer erin slaagde het chagrijn weg te nemen en met haar engelengeduld alle verhitte partijen – vrijwel allemaal mannen – bij elkaar wist te houden.

Op haar werkkamer met uitzicht op het Haagse Bos blikt Hamer terug en vertelt ze over „gepolder”, het herwonnen zelfvertrouwen van de SER en de PvdA.

Bij uw aantreden was de wens dat de SER politieke relevantie zou terugwinnen. Waardoor was die verdwenen?

„Door het mislukken, hier aan tafel, van een eerder pensioenvoorstel. Dat was in de periode-Balkenende IV. Ik was net fractievoorzitter en het kabinet had op mijn initiatief om een SER-advies gevraagd. Dat is nooit gekomen, omdat ze er niet uitkwamen. Op de dag dat het advies zou verschijnen, knapte het tussen de werkgevers en de werknemers. Een rotmoment, want toen ontstond het beeld: het lukt daar bij de SER niet meer. In de jaren erna zijn heel veel adviezen uitgebracht, maar dat pensioen was de maatstaf geworden. De buitenwereld keek maar naar één ding: een pensioenakkoord. En dat bleef uit.”

Eind vorig jaar leek het dichtbij. Maar toch klapte het weer.

„Ik denk dat geen van de partijen er klaar voor was. Als ik het scherp zeg: de vakbeweging wilde het maximale uit de onderhandelingen halen, het kabinet het minimale. Dan kom je niet bij elkaar.”

U heeft de partijen weer samengebracht, zeggen betrokkenen.

„Uit de politiek weet ik nog hoe belangrijk het is dat je elkaar heel snel na een clash weer spreekt en dus heb ik gezorgd dat ze elkaar gingen bellen. Niet over de inhoud, hoor. Je hoeft alleen maar te zeggen: geef me nu even rust, op een x-moment kom ik wel weer met je praten.”

Accepteerden de anderen deze rol van u?

„Je kunt het alleen doen als de anderen je dat gunnen. En ik was de enige onderhandelaar die geen belang had, ik had meer een vrije rol. Eigenlijk spiegelde ik vooral. Tegen de vakbeweging zei ik: ‘Je kunt het eng vinden om je eisen op tafel te leggen, maar het is wel helder.’ Tegen anderen kon ik weer zeggen: ‘Ik denk dat hij het niet begrijpt als je het zo zegt.’ Of: ‘Ik denk niet dat zijn achterban dat pikt.’ De groep stond daarvoor open.”

De hervatte gesprekken leidden in juni alsnog tot een pensioenakkoord tussen de werkgevers (VNO-NCW, LTO en MKB-Nederland), de vakbonden (FNV, CNV en VCP), de SER en minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66). De kern van het akkoord is dat het pensioen sterker gaat meebewegen met de economie. Sneller uitkeren bij meevallers, sneller korten bij tegenvallers. Verder stijgt de AOW-leeftijd minder snel dan eerder was afgesproken.

De afgelopen weken waren de pensioenen weer volop in het nieuws. Volgend jaar dreigen fikse kortingen, onder meer bij de vier grootste pensioenfondsen. De oorzaak is de almaar dalende rente. Koolmees maakt deze maand bekend of hij de pensioenregels versoepelt om zo de kortingen te beperken.

De PvdA dringt op versoepeling aan. Dat is iets waar de minister rekening mee moet houden, want om de vernieuwingen van het pensioenstelsel door het parlement te krijgen, heeft hij de sociaal-democraten nodig. Voor de zomer sprak de PvdA steun uit voor het akkoord, maar nu waarschuwt die partij dat de kortingen „geen dealbreaker” moeten zijn. Vakbond FNV dreigt met acties als de minister te weinig doet.

Lees ook: Het pensioenfonds voor priesters presteert nog prima

Wat is het pensioenakkoord nog waard als partijen nu al aan het terugonderhandelen zijn?

„Ik denk niet dat iemand aan het terugonderhandelen is. Het zijn gescheiden vraagstukken. Wat het lastig maakt, is dat de minister een kortetermijnreparatie moet verrichten, terwijl hij weet dat er een nieuw stelsel komt. Toen die discussie over de rekenrente opspeelde, was de teneur: het akkoord is alweer onderuitgehaald. Maar de laatste tijd gaat het meer over de reparatie dan over het akkoord. Dat vindt zijn weg wel, daar ben ik van overtuigd.”

Dankzij het pensioenakkoord heerste er een jubelstemming: de polder lééft! Voelde u dat ook?

„Ik denk niet dat de polder verloren was. We zijn al die tijd bezig geweest, er was alleen maar één meetpunt. Bij de SER hebben we mede dankzij het pensioenakkoord ons zelfvertrouwen herwonnen. Dat voel je aan de vrolijkheid die er nu hangt. Als je thuis de zolder moet opruimen, zie je daar de hele tijd tegenop. Dan kun je wel leuk in je kamers bezig zijn, maar je wéét dat die zolder wacht. Nou, die is nu opgeruimd. Dat geeft lucht. En een gevoel van: dan gaan we nu eindelijk die leuke bank kopen.”

Wat is dan die leuke bank?

„Hahaha, het jongerenadvies vond ik wel een leuke bank.”

Dit najaar bracht de SER twee belangwekkende rapporten uit. Het eerste was Hoge verwachtingen van zijn jongerenplatform. Daarin zitten de jongerenorganisaties van werkgevers- en werknemersverenigingen en scholieren- en studentenorganisaties. De boodschap: jongeren staan onder grote druk en hebben met veel onzekerheden te maken. Studieschulden en flexibele arbeidscontracten maken het bijvoorbeeld lastig om een huis te kopen. De SER adviseert het kabinet om plannen te toetsen op de effecten voor jongeren.

In het andere rapport, Diversiteit in de top, pleit de SER onder meer voor een vrouwenquotum van 30 procent voor de raden van commissarissen van beursgenoteerde bedrijven. Volgens sommigen gaat dat niet ver genoeg, maar het bijzondere is dat de werkgevers akkoord zijn gegaan.

Hoe ze dat voor elkaar heeft gekregen? „Veel praten”, zegt Hamer. En de werkgevers laten zien dat de maatschappelijke druk toeneemt. Hamer heeft haar „persoonlijke geschiedenis” met het onderwerp. „Het is geen geheim dat ik bij de PvdA aan de voet heb gestaan van de om-en-omregeling.” Op kandidatenlijsten wisselt de PvdA mannen en vrouwen af. Maar of ik nu verder had willen gaan of niet”, zegt Hamer, „er moest iets uit het SER-advies komen wat voor de hele groep te dragen is.”

Van 1998 tot 2014 zat Mariëtte Hamer in de Tweede Kamer, tussen 2008 en 2010 als fractievoorzitter. Daarvoor had ze allerlei functies in het onderwijs, van lerares Nederlands tot directeur van een centrum voor volwasseneneducatie en projectleider op het ministerie van Onderwijs. Begin jaren tachtig was ze medeoprichter en eerste voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond. Daarna lonkte de politiek. Als Kamerlid ging ze over onderwijs en kinderopvang, later kreeg ze de portefeuille arbeidsmarkt.

Hamers drijfveer om het onderwijs en later de politiek in te gaan, was haar broer Koos, zeven jaar ouder dan zij en autistisch. „Toen ik een jaar of vijf was, kreeg hij op zijn rapport een nul voor gedrag en een nul voor vlijt”, vertelt Hamer. „Dat vond ik zó onrechtvaardig, dat iemand gewoon niet gezien wordt.”

Haar doel is om te zorgen dat „mensen elkaar wél zien”. Koos is na zijn baan op een sociale werkplaats nu met pensioen. Hij woont bij Hamer om de hoek in Maassluis, iedere vrijdagavond komt hij eten.

Het leven na de politiek is minder turbulent. Wat in de Haagse periode druk gaf, was de eeuwige kritiek. Columnisten wijdden stukjes aan haar uiterlijk. In een interview in het Financieele Dagblad in die tijd zei ze: „Op een gegeven moment dacht ik: als een hoop mensen zich storen aan een rode ketting, moet ik die maar niet meer omdoen.”

Nu draagt u een opvallende en kleurige ketting… Zijn ze terug?

„De kettingen zijn terug. Ik denk er ook niet meer over na. Als fractievoorzitter krijg je een algemene beoordeling en die ging bij mij dus heel erg over mijn uiterlijk. Die ketting was niet mooi, dat hoedje was niet goed. Ik heb er met vriendinnen veel grappen over gemaakt, maar je trekt het je toch aan. Ik heb nu soms dat ik een lade opentrek en denk: wat een leuk ding! Waarom draag ik dat eigenlijk niet meer?”

U mist de politiek niet, zo te horen.

„Klopt. De SER zit natuurlijk wel heel dicht tegen de politiek aan. Inhoudelijk komt er veel terug en ik heb nog veel contacten met de politiek. Wat ik in de Kamer vervelend vond, was dat je vaak afspraken moest afzeggen vanwege een eventuele motie van wantrouwen. Dan zat je de hele avond te wachten of er nog een stemming kwam en die kwam dan niet. Na mijn vertrek kreeg ik appjes van collega’s die weer eens zaten te wachten: ‘Ik wil je even laten weten dat je nu heel blij bent dat je weg bent.’ Dat hielp wel. De politiek was een heel leuke, maar ook de meest intensieve periode uit mijn loopbaan.”

Wilt u ooit nog eens terug?

„Daar ben ik nooit zo mee bezig.”

In 2017 kelderde de PvdA van 38 naar 9 zetels. Kwam dat ook bij u hard aan?

„Iedereen wist dat het verlies stevig zou zijn, al was dit van alle scenario’s wel de ondergrens. Maar goed, het CDA heeft het meegemaakt, D66 heeft ooit drie zetels gehaald. Ik heb altijd maar één advies: bij je eigen kracht blijven en doorgaan. Na zo’n dreun tel je even niet meer mee, niemand heeft interesse in je. Het enige waardoor je overleeft, is toch maar gewoon plezier in je vak houden. Dat zien en voelen mensen uiteindelijk wel. Volgens mij is [fractievoorzitter] Lodewijk Asscher dat nu goed aan het doen.”

Als oppositiepartij was de PvdA nauw betrokken bij het pensioenakkoord. Te nauw, wat u betreft?

„De PvdA heeft veel met dit onderwerp, het was heel onnatuurlijk geweest als ze zich hier niet mee hadden bemoeid. Het is altijd een zoektocht als je in de oppositie belandt: ga je anders doen dan je bent? Terugkijkend zeg ik: zodra een politicus het tegenovergestelde gaat doen van wie hij is, loopt het verkeerd af. Dat zag je bij Job Cohen die ineens een felle actievoerder moest worden, of bij Diederik Samsom die een bedeesde meneer moest worden. Dat werkt dus niet.”