Recensie

Recensie Boeken

Een dystopische dorst naar drinkwater

Cynan Jones De witregelstijl van Jones vertraagt het leestempo, maar bij een niet-verstild verhaal over drinkwaterschaarste frustreert het ook enigszins.

Foto: Annabel Oosteweeghel

Weer veel witregels in de nieuwe Cynan Jones. Elke alinea staat apart, zoals we inmiddels van hem gewend zijn. Maar wat uitstekend werkte in een roman als Inham (2016) werkt wat stroever in De wetten van water.

De witregelstijl van Jones vertraagt het tempo en dwingt tot zorgvuldig lezen. Bij Jones staat misschien niet al te veel tekst op een pagina, maar je kan er niet zo maar even doorheen schieten; elke alinea moet apart worden gelezen, met een kleine pauze vooraf en achteraf. Inham ging over een man in een kano die op zee door de bliksem werd getroffen en zichzelf opnieuw moest herkennen. Daar werkte de vertragende stijl van Jones erg goed, vorm en inhoud versterkten elkaar. In De wetten van water werkt dezelfde vorm frusterender. Hier geen statische toestand die baat heeft bij verstilling, maar een mozaïekvertelling over verschillende personages die een toekomstige wereld bewonen waarin drinkwater schaars is. Je wilt dóórlezen, en het duurt even voordat je Jones zijn witregels vergeeft; het is net of je gedwongen wordt een film beeldje voor beeldje te bekijken.

Dát je wilt doorlezen pleit natuurlijk wel voor Jones. De wetten van water bestaat uit twaalf verhalen, die oorspronkelijk in opdracht van de BBC werden geschreven, om op de radio te worden voorgelezen. Het eerste verhaal gaat over Branner, een scherpschutter die een deel van het traject van de Watertrein bewaakt, ‘de trein die vijfenveertig miljoen liter water met driehonderd kilometer per uur naar de stad vervoert’. Hij heeft zojuist een jongen doodgeschoten. ‘De hand van de jongen trok nog steeds, als een vis op het droge.’

Water is handel. Het transport gaat niet alleen via treinen, met sleepboten worden hele ijsbergen aangevoerd om de dorst naar drinkwater te stillen. In de stad wordt een gigantisch ijsdok aangelegd voor die bergen, waardoor er veel huizen moeten worden afgebroken, waartegen wordt gedemonstreerd. Bij die demonstratie komen we Branner weer tegen, hij zit op een dak en houdt de demonstranten via zijn vizier in de gaten. Zo komen we in deze verhalen vaker dezelfde mensen tegen, zoals het oudere echtpaar David en Helen, die bij de afbrokkelende kust wonen, hun volwassen kinderen en hun partners. Via hen leren we de wereld kennen waarin ze zich bewegen en zo krijgen we een beeld van een samenleving die zichzelf probeert te redden met commerciële ijsbergen en idealistische daktuintjes maar waarover een sfeer van doem hangt.

Gaandeweg weet Jones je toch voor hem te winnen. Bij hem staat niet de dystopie centraal maar de mensen, en op zijn beste momenten weet hij te ontroeren. Je kunt je ergeren aan de vele zinnen zonder persoonsvorm (‘Had wakker gelegen. Vervoerde mezelf naar alle landen van de wereld. Naar huis’) die voor snelheid en ritme zorgen maar dikwijls ook voor dreunende zwaarte, maar hier en daar steekt de oude Jonesmagie toch de kop op. Dan ben je hem dankbaar voor het trage tempo dat hij afdwingt, want daardoor laat hij je stilstaan bij details die je anders over het hoofd zou hebben gezien. ‘Door de zware regen liep het bloed waterig roze uit de wond.’ Maar ook: ‘Zo nu en dan was er het stille gehobbel van konijnen.’