Opinie

De Sovjetwurgslang is dertig jaar na dato nog steeds actief

Thatcher was dé goeroe in het Oosten na 1989. Toch weten oude structuren Rusland dertig jaar later nog altijd te verstikken, weet Hubert Smeets.

Hubert Smeets

Tegenwoordig liggen de boeken van Merab Mamardasjvili op respectabele stapels in de Moskouse boekhandels Biblio Globus en Falanster. Dertig jaar geleden, na de val van de Berlijnse Muur, was de belangrijkste filosoof uit de late Sovjettijd een roepende in de woestijn. Terwijl oppositieleider Jeltsin het plan de socialistische Sovjet-Unie in vijfhonderd dagen tot democratisch kapitalisme om te bouwen (een idee dat twee economen voor president Gorbatsjov hadden uitgetekend) slappe thee vond omdat het in Rusland sneller moest, pleitte de Georgische filosoof Mamardasjvili juist voor traagheid.

In de herfst van 1990 – de DDR was ter ziele, de Sovjet-Unie zieltogend – zocht ik hem op in Tbilisi. „God beware me. De democratische maaltijd is geen fastfood uit Kentucky Fried Chicken. Haast en begeerte hebben in het verleden al te veel mensen gedood”, zei Mamardasjvili. Als we geen burgermaatschappij met een maatschappelijk middenveld op poten krijgen, bedoelde hij, zijn die vijfhonderd dagen parels voor de zwijnen. Begin dus met „de verticale (Sovjet)structuren die als een Boa constrictor ons hele land hebben verstikt. Dat zal een langzaam en pijnlijk proces worden. Het zal zijn zoals je je voelt als je voet slaapt omdat je verkeerd hebt gezeten. Als er dan weer bloed door heen stroomt, kan dat tot in je kont pijn doen.” Anderhalve maand later overleed hij, net zestig jaar oud.

Zijn boodschap werd toen niet gehoord. In dezelfde herfst sprak ik, ook in Tbilisi, een Georgische macho en politicus, een onvermijdelijke combi in de Kaukasus. Zijn remedie? Alles privatiseren. Belasting betalen was voor de dommen. Niet alleen de Sovjetstaat, nee, de overheid an sich was een dief. Onderhoud van wegen, onderwijs voor de kinderen, de dokter voor het gezin of de beveiliging van zijn erf: dat alles kon hij zelf wel voor zijn rekening nemen. Niet Mamardasjvili maar Thatcher was dé goeroe in het Oosten.

Niet zo gek dus dat er in die jaren na Berlijn ’89 nauwelijks een spoor van een ontluikende civil society was te bekennen. Hoewel burgers hun verzorgingsstaat met ‘gratis’ onderwijs en gezondheidszorg liever niet kwijt wilden, hadden ze geen belangstelling voor het onderhoud ervan. Nieuwe burgerinstituties kwamen amper van de grond.

Dat politieke partijen werden gewantrouwd, was begrijpelijk. De communistische CPSU was het enige referentiekader voor postsovjet-burgers. Zoals Jeltsins premier Tsjernomyrdin, grootmeester van het politieke aforisme, zei: „Welke maatschappelijke organisatie we ook oprichten, we krijgen de CPSU.”

Dat ook vakbonden verpieterden, was saillanter. Vrije vakverenigingen zijn cruciaal voor een democratische rechtsorde. Onder het communisme waren de bonden belast met de repressieve tolerantie van de arbeiders: vakantiekampen in ruil voor zwijgen. In Rusland is die rol dertig jaar later niet echt veranderd. De in 1990 herdoopte vakcentrale is nog steeds ondergeschikt aan het Kremlin. De exploitatie van onroerend goed, zoals hotelcomplex Izmailovo, is belangrijker voor de bonzen dan de belangen van het gehalveerde ledenbestand.

Wie denkt dat dit een typische Russisch continuïteit is, vergist zich. Zelfs de vakbond die het communisme als eerste op de knieën kreeg, het Poolse Solidariteit, is na haar glorie in 1989 een kommervol bestaan gaan leiden. Ooit had de bond liefst tien miljoen leden. Nu vertegenwoordigt Solidariteit slechts 400.000 Polen. De wurgslang van Mamardasjvili is dertig jaar na dato nog steeds actief.

PS: Over de fouten van ‘ons in het Westen’ een volgende keer

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.