Recensie

Recensie Beeldende kunst

De jonge Rembrandt was ambitieus en vol bravoure

Jonge Rembrandt. Rising Star Met gedurfde composities en nieuwe thema’s onderscheidde Rembrandt zich al in zijn jonge jaren, blijkt uit een expositie in de Lakenhal in Leiden.

De ontvoering van Europa Europa, Rembrandt van Rijn (1606-1669).
De ontvoering van Europa Europa, Rembrandt van Rijn (1606-1669). Foto The J. Paul Getty Museum

Precies dertig munten liggen op de vloer in een schilderij dat Rembrandt in 1629 maakte. Ze vormen een aanwijzing voor het thema van het werk: het verraad van Judas Iskariot. Volgens het Bijbelverhaal had deze discipel van Jezus, tegen betaling van dertig zilverstukken, zijn meester uitgeleverd aan diens tegenstanders: joodse priesters en schriftgeleerden. Achteraf kreeg Judas berouw en bracht hij het bloedgeld terug naar de tempel, waar men er echter niets meer van wilde weten. Rembrandt gaf het tafereel vorm in een interieur met een groep exotisch geklede heren die zich afwenden van de knielende, wanhopig handenwringende spijtoptant. Ter verhoging van het drama vertoont zijn hoofd kale plekken en bloedsporen op de plaatsen waar Judas zijn eigen haren heeft uitgetrokken.

Rembrandt (1606-1669) was begin twintig toen hij dit ambitieuze en complexe schilderij voorzag van zijn monogram. Het hangt te midden van ander werk uit de vroege jaren van de schilder, waaraan het Leidse Museum De Lakenhal, in samenwerking met het Ashmolean Museum in Oxford, een mooie expositie wijdt die de ‘grande finale’ is van het Rembrandtjaar. Naast tachtig werken op papier is er een veertigtal schilderijen waarvan er enkele zelden of nooit eerder werden getoond.

Het vroegst bekende werk van Rembrandts hand is een klein schilderij uit circa 1624 van een brillenverkoper. Het maakt deel uit van een serie allegorieën van de zintuigen. In een nog wat zoekende stijl beeldde de achttienjarige schilder het onderhoudende tafereeltje uit, met drie karikaturaal weergegeven figuren van de opticien en zijn klanten. Het schilderijtje vormt het startpunt van een overzicht van de eerste tien jaar van Rembrandts carrière in Leiden en Amsterdam, waar hij zich in 1634 definitief vestigde. Daaruit wordt duidelijk hoezeer zijn leertijd en beginjaren als zelfstandig kunstenaar worden gekenmerkt door eigenzinnigheid en inventiviteit, bravoure en experiment.

De Steniging van de heilige Stefanus (1625), bijvoorbeeld, is een paneel in liggend formaat, met alle actie geconcentreerd op de rechterhelft. De linkerkant van de compositie wordt gedomineerd door de duistere gestalte van een man te paard. Rechts krioelt het daarentegen van helder verlichte mannen die fanatiek stenen werpen naar de knielende heilige. Van eenzelfde schilderkunstige durf getuigt een veel kleiner schilderij van Christus te Emmaüs. Het toont het moment waarop Jezus zichzelf, na zijn opstanding uit de dood, bekendmaakt aan twee pelgrims. Van de aan tafel zittende hoofdpersoon ziet de toeschouwer alleen het zwarte silhouet, waarachter een lamp of kaars schuilgaat. De boodschap van het miraculeuze tafereel wordt duidelijk in de verbijsterde blik van zijn disgenoot, met ogen op schoteltjes.

De concentratie op de jonge Rembrandt brengt onderbelichte aspecten van zijn werk scherper in beeld. Zoals zijn belangstelling voor thema’s uit de klassieke mythologie. Een in blauwe, groene en gouden tinten uitgevoerde Roof van Proserpina getuigt, met de tegenstribbelende godin die haar belager Pluto in het gezicht krabt, ook van een vrije omgang met de beeldtraditie. Eenzelfde eigenzinnigheid spreekt uit het schilderij met de berouwvolle Judas en de dertig zilverlingen op de tempelvloer. Niet eerder was dit thema in de schilderkunst verbeeld, en de uitdrukkingskracht in de uitbeelding van de radeloze verrader maakte indruk op tijdgenoten. De diplomaat Constantijn Huygens, die de jonge schilder in zijn Leidse atelier bezocht, beschouwde het als een van de grootste meesterwerken die hij ooit had gezien. En dat was nog maar in de aanloop van Rembrandts buitengewone carrière.