De illegale handel in de grafgiften van Ny-Kau-Ptah

Archeologie Hoe kwam een gestolen Egyptisch beeldje terecht op de Tefaf-beurs in Maastricht?

Kom el-Khamasin, vindplaats van Ny Kau Ptah.
Kom el-Khamasin, vindplaats van Ny Kau Ptah. Foto Getty Images

Bijna hadden we verder niets van de oude Egyptenaar Ny-Kau-Ptah geweten, omdat in 1999 zijn graf is geplunderd. Maar vorig jaar dook een beeldje van hem op in de Tefaf-beurs in Maastricht. Het kalkstenen beeldje toont een rechtopstaande man met de armen strak langs het lijf. Hij is 17,6 centimeter hoog en draagt een brede pruik en een korte rok. De onderkant van zijn benen ontbreekt. Op zijn rechterarm staat in Egyptische hiërogliefen zijn naam: Ny-Kau-Ptah. Op basis van de stijl dateert het beeldje uit het Oude Rijk of het Midden Rijk, de periode 2500-2000 voor Christus.

Aan het beeldje is goed te zien hoe wetenschappelijke informatie verdwijnt door plunderingen van archeologische vindplaatsen. Bovendien geeft de zaak inzicht in hoe illegaal opgegraven oudheden hun illegale herkomst kwijtraken, en omgekat worden in kunstvoorwerpen met een verzamelgeschiedenis en wijdverspreid terechtkomen op veilingen en beurzen, en bij handelaren, musea en verzamelaars.

Het beeldje van Ny-Kau-Ptah.

Het verhaal van dit beeldje begint in 1997, toen een team van de Universitat Autònoma de Barcelona onder leiding van epigraaf en historicus Josep Cervelló Autuori een veldverkenning deed in Egypte, bij Sakkara. Dertig kilometer ten zuiden van Caïro ligt daar de enorme necropool van de Oud-Egyptische hoofdstad Memphis, verspreid over een oppervlakte van zeven bij anderhalve kilometer. Het team van Cervelló Autuori ging ver de woestijn in om drie kilometer ten oosten van de piramide van Djedkare Isesi een nog niet onderzochte uithoek van de necropool vast te leggen. Op een natuurlijke kleine heuvel troffen ze een vrijwel intacte en onbekende vindplaats aan. Op een oppervlakte van 40 bij 25 meter lagen her en der fragmenten graniet, aardewerk en kleine kalkblokken. De blokken bevatten teksten in hiërogliefen en afbeeldingen. Aangezien die dag de khamasin waaide, een hete en zeer droge wind uit het zuidwesten, noemden ze de nieuwe vindplaats later Kom el-Khamasin.

Twee jaar later, terwijl Cervelló Autuori wachtte op een vergunning om op de nieuwe vindplaats te gaan graven, werd de afgelegen vindplaats geplunderd en kon de opgraving niet doorgaan. De Inspectie van Sakkara voerde wel zelf nog een snelle reddingsoperatie uit. De dienst stelde 62 kalkblokken en granietfragmenten veilig die de plunderaars hadden achtergelaten en sloeg ze na een snelle eerste inventarisatie op in een magazijn bij Sakkara. In 2005 en 2006 kreeg Cervelló Autuori gelegenheid om deze stukken te bestuderen.

De gebruikelijke drie namen

Hij achterhaalde op de brokstukken de namen van vier, mogelijk vijf hoge functionarissen, onder wie een vrouw, die in Kom el-Khamasin begraven waren. Een persoon kwam zeker wel dertig keer voor. Zijn in het Oude Egypte gebruikelijke drie namen waren Impy, Ny-Kau-Ptah en Imephor. „Vooral de laatste naam was bijzonder”, vertelt Cervelló Autuori nu via Skype. „Hij is lastig te lezen en het gaat om een hapax, dat wil zeggen dat hij uniek is en in het Egyptische taalcorpus maar één keer voorkomt.”

Ny-kau-Ptah had verder vijf titels en een epitheton, ‘eerbiedwaardige met Osiris’. De belangrijkste titel was ‘grote van de chefs van de ambachtslieden’. Die titel betekent dat hij directeur van de ambachtslieden was, maar ook hogepriester van Ptah, de god van de schepping in Memphis, die de mens op zijn pottenbakkerswiel had gemaakt. Het epitheton ‘eerbiedwaardige met Osiris’ is bestemd voor iemand die de drempel van de dood is gepasseerd en herboren is in het hiernamaals.

Op basis van de stijl van de hiërogliefen en koningscartouches vermoedt Cervelló Autuori dat de graven van Kom el-Khamasin stammen uit de tijd rond het einde van het bewind van Pepi II, die in 2219 voor Christus stierf, en het begin van de Eerste Tussenperiode (2216-2040 voor Christus), toen het centrale bestuur in Egypte voor de eerste keer uiteenviel, sinds de vorming van het eerste verenigde koninkrijk van Noord- en Zuid-Egypte, zo’n duizend jaar eerder.

De unieke naam Imephor

In 2007 publiceerde Cervelló Autuori zijn eerste bevindingen, ook in de hoop dat collega’s hem er op attent zouden maken als ergens reliëfs of andere uit het graf geroofde voorwerpen zouden opduiken. De unieke naam Imephor zou herkenning in ieder geval gemakkelijk moeten maken.

De Catalaanse geleerde hoefde niet eens lang te wachten. Begin 2009 maakte een Spaanse collega hem erop attent dat hij op de website van een kunsthandel in Madrid een reliëf had gezien met de naam van Ny-Kau-Ptah. Op verzoek van de Egyptische overheid nam de Spaanse erfgoedpolitie het reliëf in beslag. Kort erna ontdekte een masterstudent van Cervelló’s eigen universiteit meerdere reliëfs bij een handelaar in Barcelona. Deze keer nam de Catalaanse politie negen reliëfs in beslag.

Terwijl procedures in gang werden gezet om de voorwerpen terug naar Egypte te sturen kreeg Cervelló Autuori de gelegenheid om ook deze reliëfs te bestuderen. Het reliëf in Madrid bleek aan te sluiten bij een van de stukken die door de Inspectie van Sakkara waren veiliggesteld. Cervelló Autuori stelde ook vast dat een van de stukken in Barcelona ooit onderdeel was van een twee meter lang beschreven paneel, waarvan andere stukken in het magazijn in Sakkara lagen. Ook in deze tekst kwamen de drie namen van Ny-Kau-Ptah meerdere keren voor. „Het lijkt een soort litanie. Opvallend is dat de hiërogliefen niet allemaal in dezelfde stijl waren. Er zijn dus meerdere beeldhouwers aan het werk geweest”, zegt Cervelló Autuori, die in 2016 zijn onderzoek publiceerde.

De farao met magie beschermen

Het Madrileense brokstuk leverde ook vier nieuwe titels op. Ny-Kau-Ptah was niet alleen ‘grote van de chefs van de arbeidslieden in het Dubbele Huis’, maar ook ‘gracieus met de armen’, een topfunctie die te maken heeft met mensen die met magie de farao moesten beschermen, ‘directeur van elke goddelijke functie’, tijdens het Oude Rijk een van de belangrijkste religieuze functies, en ‘hij die met zijn handen doet’, een topfunctie die pas na het Oude Rijk in teksten voorkomt. ‘Dit is een van de eerste attestaties,’ weet Cervelló Autuori. De laatste drie genoemde functies waren voorbehouden aan topbestuurders als viziers. Normaal gesproken had het hoofd van de ambachtslieden niets te maken met bestuur. „Ny-Kau-Ptah wel, hij volgde dus een afwijkend carrièrepad”, concludeert Cervelló Autuori. Het kleinste fragment uit Barcelona, een brokstukje van 13 centimeter, leverde ook nog een nieuwe naam op: Khnoumhez[ef]. „Geschreven in dezelfde stijl als de rest, dus ook onderdeel van de tekst. Mogelijk was hij een nauwe verwant van Ny-Kau-Ptah, misschien zelfs een zoon.”

De Barcelonese kunsthandelaar met de negen reliëfs werkte mee met het politieonderzoek en in 2012 gingen de geroofde stukken terug naar Egypte. Het reliëf uit Madrid bleek eigendom te zijn van een andere kunsthandelaar in Barcelona, maar hij verzette zich tegen teruggave van de stukken en spande een rechtszaak aan. Cervelló Autuori is nog altijd teleurgesteld en verbaasd over de uitspraak uit 2013: „De rechter oordeelde dat wij niet konden bewijzen dat het reliëf niet al voor 1983 het land had verlaten. In dat jaar heeft Egypte een wet ingevoerd die de uitvoer van alle oudheden verbood. Theoretisch zou het reliëf inderdaad al voor 1983 uitgevoerd kunnen zijn, want in het Ägyptisches Museum in Berlijn is een klein stenen gewicht met de naam van Ny-Kau-Ptah dat een Duitse egyptoloog in 1881 in Sakkara bij een handelaar in antiquiteiten heeft gekocht. Waarschijnlijk is het eind negentiende eeuw uit het graf geroofd – in 1997 konden we zien dat er ooit al een kleine roof is geweest. De kans dat het reliëf toen ook is geroofd is echter klein, omdat het pas is opgedoken na de roof in 1999 en omdat het precies aansluit bij een stuk dat na deze roof is achtergebleven. Het is onbekend waar het reliëf nu is.”

Beeldjes van staande mannen

De afgelopen jaren ontdekte Cervelló Autuori op internet ook nog een tiental beeldjes van staande mannen afkomstig uit het graf van Ny-Kau-Ptah. „Hun precieze functie is onduidelijk, omdat er geen parallellen bestaan. Ze zijn niet precies gelijk, maar hebben wel allemaal op de rechterarm een tekst met zijn naam.” Een zelfde soort beeldje werd vorig jaar aangetroffen in de stand van Mieke Zilverberg op de Tefaf, de prestigieuze kunstbeurs in Maastricht. De zaak is tot nu toe buiten de publiciteit gebleven. „Alles is discreet afgerond”, vertelt Zilverberg desgevraagd. „De politie heeft vastgesteld dat ik het beeldje te goeder trouw heb gekocht. Ik ben echter niet alleen handelaar, maar ook archeologe, dus toen duidelijk werd dat het beeldje illegaal was opgegraven heb ik meteen gezegd dat het terug moest naar Egypte.” Op 5 februari van dit jaar is het overhandigd aan de Egyptische ambassade in Den Haag.

Alles is discreet afgerond

Mieke Zilverberg handelaar

Zilverberg heeft het beeldje in 2005 gekocht bij de Belgische verzamelaar Herman Bauwens uit Kontich (1947-2005), van beroep schilder en restaurateur. „Hij en zijn vrouw verzamelden al sinds 1970. Dit stuk hadden ze gekocht van een collega uit België, ze wisten niet meer van wie. Bauwens was toen al terminaal ziek en ze hadden duidelijk andere dingen aan hun hoofd dan om alsnog te weten te komen van wie ze het hadden gekocht.” Zilverberg deed navraag bij de haar bekende collega’s, informeerde „zoals altijd” bij het Art Loss Register in Londen of het beeldje ergens uit een museum of collectie gestolen was, en vroeg Maarten Raven, toenmalig conservator Egypte van het RMO in Leiden, of het beeldje echt was. „Hij heeft ook de tekst voor me vertaald.” Uiteindelijk kocht ze het beeldje. Sindsdien heeft het op verschillende internationale beurzen en haar website gestaan, met als verzamelgeschiedenis ‘Ex. Coll. Bauwens, Belgium, 1970-2005.’ Altijd „zonder problemen”, tot vorig jaar een conservator van het British Museum, die Cervelló Autuori’s artikel uit 2016 had gelezen, het beeldje op de Tefaf herkende en de Nederlandse erfgoedpolitie inschakelde.

In april, mei en juni van dit jaar is Cervelló Autuori in Egypte geweest om eindelijk in Kom el-Khamasin te gaan graven en nog meer informatie te vinden over Ny-kau-Ptah en het grafveld waarin hij lag. „De opgravingsvergunning hadden we op tijd binnen, maar een speciale veiligheidsvergunning van de politie kwam zo laat binnen dat we geen tijd meer hadden om echt te graven. Wel hebben we het gebied verder verkend en ontdekt dat er nog veel meer vindplaatsen zijn, uit het Oude en Nieuwe Rijk, maar ook uit het Paleolithicum, zelfs tot aan de Byzantijnse tijd.” En het teruggegeven beeldje van Mieke Zilverberg? „Van het ministerie van Oudheden hadden we gehoord dat het in het Egyptisch Museum zou zijn. Maar de mensen die over de afdeling van teruggegeven oudheden gaan wisten desgevraagd van niets. We weten dus niet waar het nu is.”