Opinie

Bomans’ verzinsels

Frits Abrahams

Hoeveel verzon Godfried Bomans (1913-1971) in zijn autobiografische stukken? De vraag kwam bij me op toen ik in De brandmeester zat te lezen, een nieuwe bloemlezing uit zijn oeuvre, uitgekomen in de fraaie dundrukserie van uitgeverij Van Oorschot met werk van Nederlandse schrijvers.

Het lijkt me een verantwoorde keuze uit Bomans’ proza: van hilarische kolder tot oubollige flauwiteiten en moralistische ernst. Mijn favoriete stuk is ‘De laatste ontmoeting’, een bijtend relaas over de relatie met zijn autoritaire vader, Jan Bomans, een bekend katholiek politicus. Ik las het eerder als epiloog van De man met de witte das, een boek over die vader.

Wéér trof me de raadselachtige ongevoeligheid van de vader, die weigert het manuscript van Bomans’ boek Pieter Bas te lezen. Godfried had het hem gegeven met een blauw lint eromheen. De vader nam het zwijgend in ontvangst. „Enkele dagen later”, schrijft Godfried, „trof ik het manuscript op mijn bureau weer aan, het blauwe lint er nog omheen. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Geen woord.”

Deze anekdote deed mij al bij eerste lezing sterk denken aan de reactie van een andere autoritaire vader, die van Franz Kafka, wanneer zijn zoon hem een van zijn boeken kwam brengen: „Leg maar op het nachtkastje!” Kafka schrijft dit in zijn venijnige Brief an den Vater.

Bomans sluit ‘De laatste ontmoeting’ af met een beschrijving van het bezoek van zijn ouders aan zijn studentenkamer in Nijmegen. Hij heeft beiden in geen jaren gezien. Zijn moeder blijft in de auto, een zwarte Mercedes, zitten, zijn vader stapt binnen, loopt naar het raam en zegt: „Mooi uitzicht.”

Godfried schrijft: „Ik antwoordde niet. Hij bleef een ogenblik bewegingloos staan en zette toen een fles wijn op tafel. Ik zei nog steeds geen woord. Mijn vader kruiste de handen op de rug en keek strak naar het behang. Zo verliepen enkele seconden. Toen knoopte hij zijn jas dicht en verliet de kamer. Ik hoorde het portier dichtslaan en de auto wegrijden. Enkele dagen later kreeg ik een telegram. Hij was gestorven.”

Ik vond het bij herlezing nog steeds een indrukwekkend verhaal, maar vroeg me nu wel af: is het misschien ook een al te sterk verhaal? Ik keek het na. In het boek Herinneringen aan Godfried Bomans uit 1972 schrijft zijn jongere broer Rex dat beide anekdotes niet kloppen. De vader zou zelfs trots zijn geweest op het schrijftalent van zijn zoon en dat ook voortdurend hebben laten merken.

In zijn biografie Godfried. Het leven van de jonge Bomans uit 1982 neemt Michel van der Plas het oordeel van Rex over. Hij voegt eraan toe dat die laatste ontmoeting heel anders is verlopen. Godfried had telefonisch tegen zijn vader gelogen dat hij voor een tentamen was geslaagd. De vader kwam daarop verheugd met een paar flessen wijn naar Nijmegen om hem te feliciteren. Ze gingen dineren in de stad. Het moet een diep schuldgevoel hebben nagelaten bij Godfried, vermoedt Van der Plas. „Het is, later, blijkbaar het best te begraven onder een nieuw verhaal, een ander.”

Rex Bomans oppert nog een diepere oorzaak van Bomans’ verzinsels: om tot eigen ontplooiing te komen moest Godfried de brede figuur van zijn vader smaller maken.

Wij danken er een prachtig verhaal aan. Onwaar voor ons, maar waar voor Godfried.