Recensie

Recensie Beeldende kunst

Verlokkend mooi, maar ook grimmig

Paloma Varga Weisz De lindenhouten beelden van Varga Weisz waren niet eerder in Nederland te zien. Het Bonnefantenmuseum toont een overzicht.

Paloma Varga Weisz, Glory Hole, 2015
Paloma Varga Weisz, Glory Hole, 2015 Foto Andrew Phelps

Nee, ze heeft niet de rechte weg betreden, het pad dat vanaf een prestigieuze kunstacademie meteen naar roffelende bekendheid en roem voert. In plaats daarvan is de Duitse Paloma Varga Weisz (1966) een trage groeier geweest. Na te zijn afgewezen op een Duitse kunstacademie, schreef ze zich in voor de hypertraditionele opleiding van houtsnijder, in het Beierse Garmisch-Partenkirchen. Drie jaar lang zwoegde ze tussen de knickerbockers en koekoeksklokken op het snijden van hout, dat zo moeilijk is (volgens haarzelf) als „het ragfijn schillen van een houten appel”.

De houten beelden van de laat-gotische Tilman Riemenschneider, de schilderijen en fresco’s van Lucas Cranach en Piero della Francesca waren maatgevend – en niet te vergeten het werk van haar vader, Feri Varga, die van zijn huis één grote expositieplek maakte. Pas na Weisz’ opleiding als houtsnijder werd ze aangenomen in Düsseldorf, waar Gerhard Merz – modernist tot op het bot – haar leraar werd.

Paloma Varga Weisz is nog nooit in Nederland te zien geweest. En dat is ongelooflijk als je het rijke werk beziet, dat nu op initiatief van conservator Paula van den Bosch in het Bonnefantenmuseum in Maastricht wordt gepresenteerd. De in Düsseldorf wonende en werkende kunstenaar is inmiddels lang en breed doorgedrongen tot de stal van grote internationale galeries als die van Gladstone in New York. Dat is niet verwonderlijk.

Esthetische perfectie

Want de lindenhouten beelden – klein en groot – van Varga Weisz stralen zowel zinnelijkheid uit als esthetische perfectie. Ze zijn verlokkend mooi, maar hun inhoud is, zoals in de beste sprookjes, grimmig, melancholiek en soms kritisch. Dat laatste is het duidelijkst te zien in de grote installaties Galgenfeld (2003) en in Glory Hole (2015), waarvoor de kunstenaar twee complete boshuizen liet optrekken. Achter die muren van hout gebeurt iets wat herinnert aan gruwelkelders en geknotte vrouwen en dat je alleen maar kunt begluren via kijkgaatjes op kniehoogte. Galgenfeld, net door het Bonnefanten aangekocht, is geïnspireerd op Rembrandts tekeningen van de onfortuinlijke Elsje Christiaens, die in 1664 werd gewurgd tijdens een openbare executie op de Amsterdamse Dam omdat ze haar hospita met bijlslagen had vermoord. Varga Weisz heeft een iets te letterlijk schouwspel rondom deze gebeurtenis opgetrokken met Bijbelse en feministische bijbetekenissen. Twee vrouwenpoppen hangen vastgesnoerd aan palen, hun gezicht nauwelijks zichtbaar. De derde vrouw zit op een ooievaarsplateau, ze leeft en kijkt naar beneden. Naar wie? Naar ons.

Galgenfeld, 2003, Palaoma Varga Weisz, VG Bilskunst (Museum Kurhaus Kleve), Collectie Bonnefantenmuseum. Foto Stephan Hostettler

Ongemakkelijk wordt de ‘female gaze’ in Galgenfeld echter niet. Heel anders is dat bij de beeldengroep Waldfrau (2001), een geheimzinnig ensemble van vlijmscherp gezaagde boomstammen waarop een ‘reuzenmama’ zetelt, omringd door kleine, bultachtige en vooral huilerige mannetjes. Varga Weisz’ werk zit boordevol referenties aan mannelijkheid en vrouwelijkheid – en ze hutselt die mooi door elkaar. Haar vader, die al zestig was toen ze werd geboren en haar onderlegde in zo’n beetje alles, is nooit ver weg.

Ze toont hem en haar samen in een prachtige, stomme film tijdens het ontbijt, in het atelier, met de poes erbij. Ze toont hem in zijn kwieke jaren en in zijn dood: twee prachtige, keramieken maskers hangen in Maastricht – beide uit 2011. Het is niet toevallig dat vader Varga er bij zijn dood jonger uitziet dan bij zijn leven. Dat is iets wat namelijk heel goed kan in de wereld die Varga Weisz voor ons uitrolt.