Opinie

In 2050 is de witte man getemd

Michel Krielaars

In de Nederlandse literatuur is de satire een schaars goed geworden. Boudewijn van Houten, schrijver van onder meer de geweldige autobiografische schelmenroman Onze hoogmoed (1970), waarin een groep studenten de PTT oplicht, probeert daar verandering in te brengen. Onlangs publiceerde hij Een heel gelukkig 2050. Het is een satirische terugblik, vol boreaal venijn, op de eerste halve eeuw van dit millennium. Hoofdpersoon is Froukje Glastra, een lesbische hoogleraar genderstudies, die ondanks haar mavo-diploma naar de universiteit van Winterswijk mocht om tot genderwetenschapper te worden opgeleid. Na twee jaar kreeg ze een professoraat in haar schoot geworpen, wat niet veel voorstelt, want de werkweek duurt nog maar drie dagen.

De randstad staat in 2050 onder water. De hoofdstad is verplaatst naar Hoog Soeren. Het gelijkheidsprincipe en diversiteitspolitiek vieren hoogtij. Gezagsverhoudingen bestaan niet meer. Vrouwen en migranten zijn overal de baas. De witte man is getemd. Gevangenissen zijn opgeheven, omdat het onfatsoenlijk is mensen hun vrijheid te ontnemen. Iedereen heeft stemrecht, ook kleine kinderen – als ze zelf niet kunnen stemmen, doen hun leraren dat wel voor hen. Roken is verboden, ook binnenshuis. Dat laatste wordt gecontroleerd door kinderen, die met genoegen hun ouders bij de politie aangeven. Ook vlees eten is uit den boze, tot verdriet van de moslims, die alleen een verbod op varkensvlees hadden gewenst.

Ergens lijkt die samenleving op de totalitaire Sovjet-Unie van Stalin. Die dictator wordt door professor Glastra overigens een efficiënt bestrijder van de overbevolking genoemd.

Van Houten, die nog altijd als een cultschrijver geldt, geselt in Een heel gelukkig 2050 de moderne wereld. In het begin is het grappig, maar al snel wordt het zo flauw dat alleen de aartssatiricus Theo Hiddema er nog om kan lachen.

Opmerkelijk is nu dat NBD Biblion, een organisatie die aanschafsuggesties voor (school)bibliotheken doet, een verontwaardigde recensie over Van Houtens boek publiceerde. Zo lees je daarin onder meer: ‘Zijn conservatieve opmerkingen en aan racisme schampende uitspraken zijn in al hun vrijblijvendheid stotend en oneerlijk’. Ook wordt Van Houtens oeuvre ‘door velen bedenkelijk of zelfs suspect’ genoemd.

Nu kun je het niet eens zijn met Van Houtens wereldbeeld, met zijn politiek incorrecte opmerkingen over vrouwen, migranten, transgenders, maar het voert nogal ver om een boek op morele gronden af te keuren, zoals Gerard Reve en W.F. Hermans rond 1950 ook overkwam.

Als het om satire gaat geef ik de voorkeur aan Heinrich Heine, van wie onlangs in de privé-domeinreeks Memoires en bekentenissen verscheen. Waar Van Houten de botte bijl hanteert, steekt hij met de floret de draak met zijn tijd. In fraai proza en met veel humor kritiseert hij bijvoorbeeld onze taal, die hij ‘haar schoonheden’ niet wil ontzeggen, maar die hij wel vergelijkt met ‘het kikkergekwaak van de Hollandse moerassen’. En als het over de toekomst gaat, schrijft hij over de door ‘Hegels gekakel’ geïnspireerde Duitse handwerkers: ‘Deze cohorten van vernietiging, deze sappeurs, wier bijl het gehele maatschappelijke bouwwerk bedreigt, zijn oneindig superieur aan de effenaars en omwalsers uit andere landen vanwege de verschrikkelijke consequenties van hun doctrine; want de waanzin die hen drijft, bevat, zoals Polonius zou zeggen, methode.’ Alsof hij in 1854 Stalin en Hitler al zag aankomen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.