Opinie

Intimiteit

Ellen Deckwitz

Gisteravond zaten mijn zus en ik ook maar wat met onze cavia’s op de bank toen onze vriendin I. opeens voor de deur stond. Wat bleek: haar nieuwe buurvrouw is een beetje eenzaam en onderschept I. dagelijks om tegen haar aan te praten.

„Als het een gewoon babbeltje zou zijn had ik er geen problemen mee”, zuchtte I., „maar ze kan geen maat houden. Je bent meestal meteen een half uur verder. Het gaat alleen maar over haarzelf, het zijn alleen maar trivialiteiten zoals welke winkels ze heeft bezocht die dag, welke schoonmaaktaakjes ze heeft volbracht of met welke collega’s afgesproken. Het is ondraaglijk gedetailleerd”.

Iedereen kent wel iemand die te veel praat. Dat ligt vaak niet zozeer aan die persoon zelf als wel aan je interesse in hem of haar, maar dat maakt het niet minder vervelend.

„Eigenlijk gebruikt jouw buurvrouw jou voor een vorm van masturbatie”, zei mijn zus, „want als je over jezelf praat komt het joepie-hormoon dopamine vrij, en dat is verslavend.”

„Ik word gebruikt als gespreksdildo”, zei I. bedroefd.

„Maar”, probeerde ik, „is het niet zielig voor je buurvrouw? Dat ze blijkbaar iemand die ze amper kent, als enige echte uitlaatklep heeft?”

„Nou ja, dat betekent niet dat I. zich dan maar keer op keer conversationeel moet laten gijzelen”, mompelde mijn zus.

„Jij bent psycholoog”, zei I. tegen haar. „Hoe los jij dat nou op als iemand tot vervelens toe over zichzelf praat?”

„Ik stel op een zeker moment dan voor dat hij of zij dan naar mijn praktijk komt, zodat ik tenminste betaald krijg.”

‘Ik beweeg ook al steeds zachter door mijn huis”, zei I. wanhopig. „Want voor je het weet hoort ze dat ik aanstalten maak om de deur uit te gaan en wacht ze me op bij mijn voordeur. En ook al zeg ik dat ik haast heb, alsnog praat ze door.”

„En maar ten koste van jou joepie-hormonen aanmaken”, zei ik.

„Eigenlijk is het belachelijk”, zei I. „We leven in een tijdsgewricht waarin men bij seks zo bang is om een grens over te gaan dat iedereen nu al bij de minste aanraking om toestemming vraagt. Hoe geweldig zou het zijn als dat voortaan ook bij gesprekken zou gebeuren. Dat iemand van tevoren even checkt of de ander eigenlijk wel zin heeft in zijn geleuter.”

„Een gesprek met wederzijdse instemming”, zei mijn zus goedkeurend.

„Ik denk dat we de wet moeten aanpassen”, zuchtte I. „Als iemand tegen zijn zin betasten strafbaar is, vind ik dat dat ook zo moet zijn wanneer je iemand tegen zijn zin de oren van het hoofd lult.”

Ze zweeg even en zei toen:

„Een gesprek waar je geen zin in hebt is een ongewenste intimiteit.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.