Wat gebeurde er met de kinderen van wie zo veel werd verwacht?

Leesverhaal Hoe maakt je middelbare school je tot wie je bent? Terug naar een klein gymnasium in Utrecht. „Ik weet nu dat het daar niet voor iedereen een veilige omgeving was.”

Illustraties Martien ter Veen

De vrouw door wie ik van taal ging houden gaat aan tafel zitten, naast een vrouw met een pop in haar handen. Ze wonen op dezelfde afdeling van het verpleeghuis, dit is hun huiskamer. „Hallo”, zegt de vrouw die mijn lerares Nederlands was op het Christelijk Gymnasium in Utrecht. „Zo jongen”, zegt de vrouw met de pop. Mijn lerares wijst op zichzelf en zegt: „Meisje.” „O ja?” zegt de vrouw. „Dat zullen we nog weleens zien.”

Op het gymnasium was ze ons blijven voorlezen tot de vierde of vijfde klas. Ze had een mooie stem.

De eerste tekenen van dementie waren er misschien al toen ik bij haar in de zesde zat, in 1985. Ze voelde zich soms ineens niet goed, en had geen idee waardoor dat kwam. De jaren na school bleef ik haar zien, samen met mijn beste vriendin sinds de brugklas, Karen Kruijthof. Ze vertelde dat ze steeds vaker niet op woorden kon komen – ons viel het niet op. Als we bij haar thuis waren, pakte ze haar oude schoolagenda’s erbij. Ze liep onze klasgenoten langs, we hoorden weer onze cijfers.

Pas heel veel later dachten we: was ze toen al bang dat ze niet alles meer wist?

Zo’n tien jaar geleden, ik woonde in Brussel, vertelde ze me door de telefoon dat ze Alzheimer had. Ze was in de zestig.

Nu hebben we koffie met haar gedronken in het verpleeghuis. Aan het eind moest ze naar de wc, ze pakte de leuningen van haar stoel stevig vast om overeind te komen en telde: „Een, twee… drie.” Karen en ik stonden aan twee kanten klaar om te helpen. Maar zij bleef zitten en telde rustig door: „Vier, vijf, zes, zeven, acht.” Precies het soort grap dat ze vroeger maakte.

In zijn werkkamer bij De Nederlandsche Bank ligt Frank Elderson, lid van de directie, opgevouwen op de grond, zijn hoofd onder zijn armen, knieën onder zijn buik. Dan beweegt hij zijn vingers, zijn handen, armen, en staat langzaam op, bijna dansend. Het is ‘de tulp’, een toneeloefening die we op het gymnasium vaak hebben gedaan. In de voorstelling die onze leraren hadden gemaakt van de gedichten van Paul van Ostaijen deed hij ‘Het Alpejagerslied’ en samen met Karen Kruijthof ‘Onbeduidende polka’.

In de toneelbewerking was ‘Oppervlakkige Charleston’ bijna jazz geworden. Frank, twaalf jaar, stond met een strohoedje op en in een jacquetjas te zingen: „Als je van het meisje van Milwaukee houdt, van het meisje houdt, van het meisje van Milwaukee houdt.” En ook deze zinnen uit het gedicht: „De negers hebben dikke lippen, de negers hebben dikke rode lippen.”

„Daar vonden we”, zegt hij in zijn werkkamer, „toen niks fouts aan.”

Als politiek redacteur van NRC zag ik Frank eind vorig jaar bij de roltrappen in de Tweede Kamer, hij kwam net uit een hoorzitting over banken. Eerder al was ik op het Binnenhof Eric Verwaal tegengekomen, algemeen secretaris van koning Willem-Alexander. Op het Christelijk Gymnasium zat Eric drie klassen hoger dan ik. Bij het Amsterdam UMC was mijn vriendin Karen begin dit jaar lid van de raad van bestuur geworden, ze vulde de vacature die was ontstaan na het vertrek van Wouter Bos.

Op een reünie, twee jaar geleden, had ik gehoord over een oud-klasgenoot die in de bijstand zat en zijn huis niet meer uit durfde. En over iemand die was opgenomen in een psychiatrische instelling. Ik had een oud-leerling gesproken die op zoek was naar vrijwilligerswerk, na een herseninfarct. We kenden allemaal de verhalen van wie was overleden – door zelfmoord, ziekte, verdrinking.

In de jaren tachtig waren we kinderen geweest van wie veel werd verwacht. Als we dat nu nog niet hadden waargemaakt, besefte ik die dag op mijn oude schoolplein, zou het ook niet meer lukken.

Begin dit jaar vraag ik Frank Elderson, Eric Verwaal en Karen Kruijthof of ze mee willen doen aan een verhaal over die kleine, misschien wat elitaire school in Utrecht. Hoe maakt zo’n school je tot wie je bent? En waarom deed dit gymnasium zoveel meer met ons dan we dachten toen we daar nog rondliepen?

Ik vraag ook Henrieke Herber, een vriendin vanaf de tweede klas, die zang en klavecimbel was gaan studeren. Ik ken niemand die het zo moeilijk had gevonden om van school af te zijn als zij. En ik zoek contact met mijn oude klasgenoot Steven Scholtus, die geschiedenis was gaan studeren. Een van de mooiste jongens van de school. Al op de eerste reünie, twee jaar na ons eindexamen, herkende ik hem niet meer. Zijn gezicht was verkrampt geraakt door medicijnen.

In onze tijd, de jaren tachtig, was op het Christelijk Gymnasium de geest van de jaren vijftig nog maar net weg. En die van de jaren zestig net binnen. Steven Scholtus rookte ’s middags na school meestal wiet in een café, hij woonde ook al een tijdje samen met zijn vriendin. Vanaf de tweede klas hadden we bier op klassenavonden, bij leerlingen thuis. Er was een leraar die in de klas ’s ochtends al naar drank rook, en nooit is ontslagen. En een leraar die relaties had met meisjes van school. Ook nooit ontslagen.

En ook dat is het verhaal van die kleine school in Utrecht.

Joke Smit, de bekendste feminist van de jaren zeventig, deed er eindexamen. Net als ex-Tweede Kamerlid Mariko Peters van GroenLinks, oud-PvdA-staatssecretaris Margo Vliegenthart, ambassadeur bij de VN Karel van Oosterom, D66’er Jan Paternotte, wetenschapsjournalist Diederik Jekel.

Beschadigde longen

De eerste stem die mijn oud-klasgenoot Steven Scholtus hoorde toen hij psychotisch werd, in zijn tweede jaar op de universiteit, was van zijn grote liefde op het Christelijk Gymnasium. „Steven”, zei ze, „waar ben je gebleven?”

Steven was er nooit goed overheen gekomen dat ze het had uitgemaakt. De stemmen noemde hij zelf later „echo’s uit het verleden”. Hij dacht dat ze echt waren, en dat ze hem pijn wilden doen.

Henrieke Herber wist meteen na haar eindexamen wat zo’n school met je kan doen. Ze voelde zich op straat gezet.

Al die jaren was ze zo lang mogelijk blijven rondhangen op school, zeker na de scheiding van haar ouders toen ze in de derde zat. Ze had op vrijdagmiddag toneelgespeeld of met de conrector liederen gezongen van Schubert of Schumann, in het tekenlokaal op de bovenste verdieping. De scheikundeleraar, met beschadigde longen door proefjes die hij in de klas had gedaan, hees zichzelf acht trappen op om hen te begeleiden op de piano.

Henrieke was in Utrecht het voorbereidend jaar van het conservatorium gaan doen en als ze op vrijdagmiddag langs het Christelijk Gymnasium fietste, hadden leraren nauwelijks tijd voor haar. Ze was boos. „Waarom had niemand me dit verteld? Het was zo hecht geweest. Tot op het allerlaatste moment dacht ik: dit gaat nooit meer over.”

In een café tegenover Paleis Noordeinde begint Eric Verwaal, de secretaris van de koning, over The Catcher in the Rye van J.D. Salinger. Onze lerares Engels had het hem aangeraden en als hij denkt dat iets phony is, onecht of onoprecht, voelt hij nog steeds de afkeer die Holden, de hoofdpersoon in het boek, daarvan had. Zoals die keer dat Eric in Shanghai, waar hij consul-generaal was, werd gebeld door iemand die hij nog kende van school. Die wilde hulp bij zaken in China. „Omdat wij op school toch zulke goede vrienden waren geweest. Ik kon me dat niet herinneren.” Of alle keren dat mensen aardig tegen hem doen omdat hij de koning adviseert. „Ik weet dat het zo werkt, ik vind het ook geen probleem. Ik voel het wel op honderd meter afstand.”

Frank Elderson, de man van De Nederlandsche Bank, is ook voorzitter van de Stichting Lezen. In een bestuursvergadering droeg hij pas nog ‘Het Alpejagerslied’ voor. Hij kende het na 37 jaar nog bijna helemaal uit zijn hoofd. Hij had het bestuur verteld over zijn middelbare school. „Hoe ze daar een waanzinnige manier hadden gevonden om kinderen te raken met poëzie die helemaal niet voor de hand lag, van een Vlaming uit de jaren twintig. Wij waren aan het opgroeien in de jaren tachtig, er was heel veel waarin we onszelf konden verliezen. Maar we stonden op het podium een naaimachine na te doen, op ‘Huldedicht aan Singer’.”

Karen Kruijthof vond zichzelf in de brugklas „tuttig” en „bang”. Ze was de kleinste van de klas en als we op maandag gym hadden, was ze al op zondag misselijk – de bok was te hoog. Vanaf het moment dat de gymleraar dat wist, ging hij dicht bij de bok staan als zij aan de beurt was en tilde haar op. „Ik weet nu dat die school niet voor iedereen een veilige omgeving is geweest. Voor mij wel, door dit soort dingen. Ik kreeg zelfvertrouwen.”

Ze was klassenvertegenwoordiger, lid van de medezeggenschapsraad, hoofdredacteur van de schoolkrant, ze deed mee aan cabaret en toneel. Na haar eindexamen had ze nog een paar jaar het vriendje dat ze op school al had, uit een hogere klas. Op een reünie in 1992 werd ze verliefd op de jongen uit onze klas die al vanaf de tweede klas verliefd was op haar. Ze wonen nu al heel lang samen.

Stijf en provinciaals

Aan het eind van de negentiende eeuw kregen Utrecht, Kampen en Amsterdam een protestants-christelijk gymnasium, vooral bedoeld voor jongens die dominee wilden worden. Die hoorden, was het idee bij protestantse politici en in de kerk zelf, niet thuis op een openbaar gymnasium of een openbare Latijnse school. In het boek Volventibus Annis, over honderd jaar Christelijk Gymnasium Utrecht, citeert oud-conrector Fred Schouten zo’n politicus, de anti-revolutionair Jan Willem Gefken: „Wij hebben behoefte aan het Christelijk Gymnasium, waar het christendom als de hoogste filosofie geplaatst worde tegenover de wijsheid van het beschaafde heidendom.”

Tot begin jaren zeventig van de twintigste eeuw stond het Christelijk Gymnasium in Utrecht bekend als stijf, provinciaals. Docenten zeiden nog heel lang ‘meneer’, ‘mevrouw’ en ‘u’ tegen elkaar. In het wat sombere gebouw aan de Diaconessenstraat, met kleine ramen en een muur om het schoolplein, was het alsof er in de jaren zestig niks bijzonders was gebeurd. Provo, seksuele revolutie, feminisme, democratisering? Pas in 1972 werd voor het eerst een katholieke leraar benoemd, en in 1975 een lerares die atheïst was en het communisme helemaal niet zo’n slecht idee vond.

Daarna bleek dat lang niet alle leraren zo gelovig waren. En er kwamen nieuwe bij aan wie de jaren zestig juist niet voorbij waren gegaan. Voor de leerlingen waren ze Jan, Kees, Anneke. De leraar godsdienst en maatschappijleraar was zelf een oud-leerling van het Christelijk Gymnasium. Hij was eraf gestuurd omdat hij in de gang een boek las van Jan Wolkers. De rector uit die tijd had hem „een vies mannetje” genoemd. Zijn benoeming als docent zag hij als hét bewijs dat in een paar jaar tijd alles anders was geworden op school.

Voor mijn ouders – CDA-stemmers, gereformeerd – was de godsdienstleraar zelf het bewijs dat ze gelijk hadden gehad met hun aarzelingen over deze school. Zijn lessen gingen heel vaak over kernwapens, waar hij fel tegen was, en nooit over de Bijbel. Dat mijn vader een ouderavond had gebruikt om hem daarop aan te spreken, vond die leraar zo’n leuk verhaal dat hij er steeds weer over begon als hij me zag.

Eric Verwaal kwam in 1977 op school, in de tweede klas. Hij had met zijn ouders in Jakarta gewoond. Zijn vader, die de avond-HTS had gedaan, was door Philips uitgeleend aan een Indonesisch bedrijf. In de kast stond de Grote Oosthoek Encyclopedie tot en met de L, de andere delen waren nog niet verschenen. Eric wist op zijn dertiende al veel, maar wat minder over iets dat begon met een letter vanaf de M.

Henrieke Herber kwam in 1978 naar de brugklas. Haar vader was organist en had een administratieve baan bij de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel in Utrecht. In 1979 zaten Karen Kruijthof, Steven Scholtus en ik in de eerste. Karens vader werkte bij een drukkerij, haar moeder bij een farmacologisch tijdschrift. De vader van Steven had een uitvaartonderneming. Frank Elderson kwam in 1982 op het Christelijk Gymnasium. Zijn vader was neuroloog, zijn moeder onderwijzeres.

Op het Christelijk Gymnasium had je in die tijd een Chinese jongen, een geadopteerd Koreaans meisje, drie broers uit Indonesië, twee of drie Japanse of half-Japanse meisjes – alle anderen waren wit. Uit een enquête van het blad Famulus, gemaakt door ouders, kwam dat zo’n 15 procent van de leerlingen rooms-katholiek was, 10 procent had geen geloof, verreweg de meesten kwamen uit een protestants gezin, net als Eric Verwaal, Henrieke Herber, Karen Kruijthof, Steven Scholtus, Frank Elderson en ikzelf.

Maar in de brugklas voelde voor mij niks vertrouwd, ik wist me heel lang geen raad. Het was mijn eigen idee geweest om naar deze school te gaan, ik wilde Latijn en Grieks leren en verlangde naar moeilijk huiswerk. Nu had ik spijt, al durfde ik het tegen niemand te zeggen. Dit was niet míjn wereld.

Mijn moeder had onderwijzeres willen worden, maar moest na zeven jaar lagere school meehelpen op de boerderij van haar ouders. Mijn vader had de landbouwschool gedaan en daarna de boerderij van zijn vader overgenomen. In de jaren zeventig moest hij zijn land verkopen aan de gemeente – er werden huizen op gebouwd – en op zoek naar ander werk. Hij bracht als chauffeur gehandicapte kinderen naar school. Ik was de jongste van zes kinderen, tegen onze ouders zeiden we ‘u’.

Op mijn basisschool in IJsselstein had zeker driekwart van de leerlingen zo’n achtergrond, op het Christelijk Gymnasium in Utrecht helemaal niemand. Ik werd door een vriendin meegevraagd naar het tweede huisje van haar ouders in Noord-Frankrijk en had geen idee wat ik aan moest met al dat bestek rond mijn bord.

Maar na een jaar was deze vriendin overgestapt naar het atheneum op een andere school, net als anderen van wie ik dacht dat ze alleen naar het gymnasium waren gegaan omdat hun ouders vonden dat die opleiding paste bij hun eigen maatschappelijke status. Al rond de Kerst waren er veel weg, aan het eind van het jaar bijna de helft van onze klas. De vriendin met het huisje in Frankrijk haalde later haar havo-diploma op een particuliere school.

Het Christelijk Gymnasium was ook niet heel streng geweest bij het toelaten van leerlingen. De maximale citoscore aan het eind van de basisschool was in die tijd 100 punten, vanaf 70 mocht je al komen. Elke leerling extra betekende een stapje terug van de afgrond. In andere steden verdween het ene na het andere zelfstandig gymnasium en ging op in een scholengemeenschap.

Een vrome leugen

„Ook onze school”, zegt oud-conrector Fred Schouten, „was in jouw tijd ten dode opgeschreven.” Er waren zo’n driehonderd leerlingen en geld kreeg je als school per klas, niet per leerling, zoals nu. Bij dertig kinderen mocht een klas niet worden gesplitst in bijvoorbeeld 2a en 2b. Bij 31 kinderen wel. Zo kwam het dat weleens iemand van school ging, maar administratief bleef. „Een papieren leerling”, zegt Fred Schouten. „We moesten wel, om de school overeind te houden. Dat noem ik dan maar pia fraus, in het Latijn.”

Een ‘vrome leugen’ om ellende te voorkomen. „Als de onderwijsinspectie was gekomen en had gezegd ‘mogen we even in de kaartenbak kijken en de kindertjes zien?’, dan waren we er geweest.”

De rector, Lucas Berk, reisde het land door met een verhaal over de waarde van klassieke talen en de klassieke cultuur, hij schreef brieven naar redacties, richtte verenigingen op, lobbyde in Den Haag. Weerzin tegen het gymnasium was er vooral bij de PvdA. Die zag het als een elite-school. Het ideaal van PvdA-minister van Onderwijs Jos van Kemenade was de Middenschool, waar alle kinderen vanaf hun twaalfde nog drie jaar bij elkaar zouden zitten.

Hoe moeilijk ik het eerst ook had in de brugklas, dáár had ik niet aan moeten denken. Op mijn basisschool was je een aansteller als je zin had om iets te leren. In de gangen van het Christelijk Gymnasium haalde je ze er zo uit: kinderen die op hun basisschool vast en zeker waren gepest, op hun bril geslagen, uitgelachen om hun kleren of manier van praten. Of omdat ze bij gym geen bal konden vangen. Er kwamen ook kinderen bij ons in de tweede of derde klas die het op een scholengemeenschap niet hadden uitgehouden.

Al viel het andersom ook niet mee. Er waren leerlingen van het Christelijk Gymnasium die in de stadsbus kinderen met een Utrechts accent na gingen doen. Als we juist erg ons best deden om op niemand neer te kijken, waren we daar zelf heel tevreden over. „Ik denk,” zegt Karen Kruijthof, „dat we ons toen wel echt anders en beter vonden.”

En dat viel voor onszelf niet eens altijd mee.

In een les Nederlands over woordgrappen zei een meisje dat ze bij haar thuis de wc de ‘wk’ noemden. Onze lerares begreep het niet, maar reageerde vriendelijk: „O ja, dat is dus een grapje dat jullie thuis maken.” Het meisje zei: „Daar moeten wij altijd heel erg om lachen.”

Henrieke Herber, die later zang en klavecimbel studeerde, wist waar het vandaan kwam: een televisieshow van André van Duin. Die krijgt als ‘leerling’ door ‘meester’ Frans van Dusschoten uitgelegd dat je de c soms uitspreekt als een k en vraagt dan of hij naar de wk mag. „Ik heb dat toen niet gezegd. Je voelde dat er een norm was waar je aan moest voldoen.”

Ze wilde zelf een keer na school iets laten weten aan haar ouders en vroeg aan de rector of ze mocht bellen. Die riep met zijn zware, strenge stem door de gang: „Bellen? Bellen?” Hij vond dat ze had moeten zeggen ‘telefoneren’ of ‘van de telefoon gebruik maken’.

We vonden ons anders en beter dan anderen

En er was die keer, net voor de zomer, dat de geschiedenisleraar vroeg waar Henrieke naartoe ging met vakantie. Ze zei: „Appelscha.” De leraar speelde verbijstering. Appelscha! Had je daar dan ook bijzondere kerken of ruïnes? „Dat we ook weleens naar Ommen gingen, heb ik hem daarna nooit durven vertellen.”

Nu denk ik: die leraar reageerde op Henrieke zoals hij in de docentenkamer op een collega zou hebben gereageerd, pesterig.

Eric Verwaal, de secretaris van de koning, leende op school een nieuwe lp uit aan de lerares Engels. The Wall van Pink Floyd. Ze gaf hem terug met een beschadigde hoes. Ze had er vast niet aan gedacht dat het misschien wel Erics eerste lp was, en het mooiste wat hij had. Dat Eric een kind was.

De lerares Grieks, met wie Eric Verwaal vaak ruzie had, zal dat ook niet hebben bedacht toen ze in de klas tegen hem zei: „Zoals jij nu tegen me doet, ik hoop dat je daar nog eens aan terugdenkt als je aan de rand staat van mijn graf.”

De ruzies gingen over haar lessen. Eric vond dat ze Homerus te langzaam lazen en dat het te veel draaide om rijtjes stampen en vertalingen uit je hoofd leren. „Ik zal ook best irritant zijn geweest. Om het lijden aan beide kanten te halveren, hebben we toen afgesproken dat ik per week maar drie van de zes lesuren zou volgen.”

Zoenen in de gang

Wij vonden het zelf helemaal niet raar dat we zo serieus werden genomen. Het had veel voordelen. Toen de werkweek in de derde klas niet door dreigde te gaan, organiseerde Eric Verwaal die zelf, met een paar vrienden. Aan de Nieuwkoopse Plassen, met een gemengde slaapzaal. De Rome-reis, die het Christelijk Gymnasium niet had, regelden wij in de vijfde klas zelf. In de vakantie en voor een klein groepje, met de trein. De geschiedenisleraar ging mee. Hij bedacht het programma en maakte een lijst van wat we mee moesten nemen. Bij Henrieke, altijd chaotisch, schreef hij erbij: „Als je je kleren opvouwt past er meer in je koffer.” We aten brood, tomaten, soms pizza. In de avond werden we dronken, hij ook.

Wij vonden het ook niet raar dat een van de leraren een relatie had met een meisje uit mijn klas, vanaf de derde en tot na haar eindexamen. Het was nauwelijks geheim. Eersteklassers zagen hen een keer staan zoenen in de gang.

Elf jaar na mijn eindexamen, in 1996, werkte ik voor Vrij Nederland aan een verhaal over zulke affaires. Over sportclubs was al veel naar buiten gekomen, over scholen ging het nog maar net. Ik ging langs bij schoolleiders van vijf scholen, ook het Christelijk Gymnasium. Op die school na had ik ze willekeurig uitgekozen. Elke school bleek wel iets te hebben meegemaakt, niemand vond dat nog normaal.

Op mijn oude school had ik toen een interviewafspraak met de conrector, Fred Schouten. In de docentenkamer zat de leraar die een relatie had gehad met een meisje uit mijn klas, en daarna nog met een ander meisje. Het was vrijdagmiddag. Hij maakte een fles witte wijn voor ons open en vroeg waarom ik eigenlijk met Fred kwam praten.

Ik zag hoe hij schrok. Maar hij zei: „Goed idee.” En: „Ik heb zelf nu ook veel meer afstand tot leerlingen.”

Voor dit verhaal ga ik opnieuw langs bij Fred Schouten. Hij is 83 en geeft nog steeds Latijn en Grieks – in het oude gebouw van het Christelijk Gymnasium waar nu het particuliere Luzac College zit. Het Christelijk Gymnasium zelf paste er niet meer in en verhuisde een paar jaar geleden uit de binnenstad. Aan tafel in de woonkamer zegt hij dat „het gevaar van erotiek op de loer ligt” als er weinig afstand is. Hoe beschadigend dat voor kinderen is, hoef je hem niet uit te leggen. Hij was heel boos geworden toen hij, veel later, over die relaties van zijn collega had gehoord.

„Het is wel zo: door de geringe afstand hadden leraren het heel druk. Je trekt je het lot van die kinderen aan. Als je dat bij ons niet deed, werd je daarop aangesproken. Er werd heel veel over leerlingen gepraat. Ik was daar trots op, het was goed voor jullie.”

Wij vonden dat die bemoeienis soms wat ver ging. Fred Schouten zei een keer tegen Karen Kruijthof dat haar ouders bij elkaar hadden moeten blijven voor de kinderen. Maar toen een ander meisje uit onze klas niet meer thuis kon zijn door de scheiding van haar ouders, woonde ze maandenlang in het gezin van Fred Schouten. Er was een jongen van wie de leraren dachten dat hij het op een andere school niet zou redden. Hij kon neuriënd opgaan in zijn eigen wereld en lachte om andere dingen dan wij. Het gymnasium was moeilijk voor hem, maar hij hoefde niet van school. Hij deed er acht jaar over en huilde toen het voorbij was.

Bij een muziekvoorstelling onder schooltijd had deze jongen een keer met zijn ogen dicht gezeten, handen voor zijn oren. Joop Delmaar, leraar klassieke talen, bedankte de muzikanten en zei: „We hebben allemaal ademloos geluisterd.” Toen keek hij naar de jongen, vriendelijk en een beetje plagerig. „Op één na.”

Wij lachten, maar de jongen was in de war en boos. Hij had het optreden geweldig gevonden. Hij luisterde, zei hij, altijd met zijn handen voor zijn oren.

Joop Delmaar noemt het zelf „de grootste blunder” uit zijn carrière. Op ons maakte vooral zijn excuus aan de jongen indruk, iedereen zag hoeveel spijt hij had.

Moet je sperziebonen bakken?

Al halverwege de jaren zestig had Joop Delmaar tegen zijn leerlingen gezegd dat hij Joop heette en een ‘jij’ was, geen ‘u’. Al zei hij zelf toen nog meneer tegen de rector. Collega’s konden zich nauwelijks voorstellen dat hij gezag had in de klas.

Veel later vond hij zelf ook weleens dat het wat ver ging. „Toen paus Johannes Paulus in 1985 naar Nederland kwam werd ik voor sommigen ‘Popie Jopie’. Er was een leerling die op straat langs mij fietste en riep: ‘Hee Joop, ouwe rukker.’ Dan denk ik: ja, dat krijg je ervan. Ik dacht ook: hij bedoelt het gewoon heel aardig.”

Een dramadocent had het Christelijk Gymnasium nog niet. De school had Joop Delmaar. Hij regisseerde bijna alle toneelvoorstellingen. Meestal samen met zijn vrouw, die op school de bibliotheek beheerde, en twee of drie andere leraren. De gedichten van Paul van Ostaijen, Griekse tragedies. En bij het lustrum in 1982, de school bestond 85 jaar, de opera La Forza del Malo.

Die was volgens de ondertitel gecomponeerd door ‘Maradonna Paolo Sokrates Zoff’ en Joop Delmaar moest de rector uitleggen om welke voetballers het ging. De andere verwijzingen in het stuk waren geen probleem. Ovidius, Tsjechov, Shakespeare, T.S. Eliot en Vondel zaten erin, en ook Mozart, Beethoven, Bach, Verdi, Wagner.

De rector deed zelf ook mee. Hij had een groene narrenkap op en was ‘Opkikker’, wij stonden om hem heen als de kikkers van de Griekse dichter Aristofanes. Hij zei: „In ons huidig onderwijsbestel is helaas het gymnasium een zwakke plek.” Wij: „Kwekkerdekwek, kwek, kwek.” De rector: „Ministers kennen niet hun vak, Wim Deetman is een grote..” En wij: „Kwak, kwek, kwak, kwak.”

In een café in Houten zegt Henrieke Herber de hele tekst van de rector voor me op. Zij was in de opera de pastoor die op de aria ‘Pace e Gioia’, uit De Barbier van Sevilla, de vechtende partijen uit elkaar hield en hun ‘de kracht van het kwaad’ toonde.

Ze kent ook de gedichten van Paul van Ostaijen nog uit haar hoofd, en het schoollied Io Sodales. Ze vindt het zelf wel een beetje gek, na meer dan 35 jaar. En ook weer niet. De scheiding van haar ouders was moeilijk geweest. Zij was in die tijd voor het eten gaan zorgen, maar ze had geen idee. Moest je sperziebonen bakken? En hoe maakte je pastasaus die er niet uitzag als drab? Ze was wel heel goed in toneelspelen. „Ik weet nog hoe ik me bij die opera voelde, ik was zoals ik graag wilde zijn. Naar dat gevoel kan ik nog steeds heimwee hebben.”

Ik houd me staande door wat zij me leerden

Onze klasgenoot Steven Scholtus, die later ziek werd, deed niet mee aan toneel. Hij deed op vrijdagmiddag ook niet aan sport, hij ging niet met de geschiedenisleraar mee naar een museum. Na school zat hij bijna altijd in een coffeeshop en als je ook een keer wiet wilde proberen, nam hij je mee.

Veel meisjes vonden Steven leuk. Hij was dun, had brede schouders, donkerbruin haar dat schuin over zijn voorhoofd viel, hij was aardig en heel slim. Anderhalf jaar na ons eindexamen kreeg hij een psychose. Op de eerste reünie na ons eindexamen was hij nog niet dikker geworden door de medicijnen, zoals later. Hij had al wel een tic.

Na de diagnose schizofrenie had hij een tijdje trouw zijn medicijnen genomen. Maar hij kreeg genoeg van de bijwerkingen en stopte, zonder dat tegen iemand te zeggen. Hij ging weer lijken op de oude Steven. De psychose die hij toen kreeg, was zo hevig dat hij daarna zijn medicijnen altijd is blijven nemen. Het lukte hem om af te studeren – cum laude. Werken lukte daarna heel lang niet, hij kreeg een Wajonguitkering. Toen uit onderzoek kwam dat cannabisgebruik kon leiden tot psychoses, wilde Steven het daar liever niet over hebben. Hij had wel een afkeer gekregen van wiet, hij vond dat het verboden moest worden.

Op de klassieke muziekavonden van school had Henrieke Herber ontdekt wat ze wilde: zingen. Maar op het conservatorium had ze een leraar die ze hard en cynisch vond. Hij noemde haar stem „mooi, maar niet beschikbaar”. In de groepslessen zei hij soms: „Henrieke gaat nu eerst in een hoekje zitten huilen.”

Het overgangsexamen naar het tweede jaar haalde ze niet. Ze ging Italiaans doen in Utrecht en studeerde cum laude af. Ze weet nog dat ze toen dacht: „Hier kan ik mee aankomen op school.”

De conrector, Fred Schouten, had na Henrieke’s eindexamen over het conservatorium gezegd: „Het is natuurlijk voor de kunst, maar het is wel hbo.”

Henrieke vertaalt nu romans en geeft Italiaanse les.

Eric Verwaal, die al vijf jaar voor Willem-Alexander werkt, zegt dat Fred Schouten hem had „aangemoedigd” om een taal als Arabisch of Chinees te gaan studeren. „Hij vond dat dat exotische bij mij paste en dat ik bij een studie niet moest opgaan in de massa. Het was fijn om het er met hem over te hebben. Hij gaf mij het laatste zetje.” Het werd Chinees.

Fred Schouten herinnert het zich zo: „Eric wilde economie gaan doen en ik zei: je bent gek. Je hebt in Azië gewoond, je doet eindexamen in twee klassieke talen, jij moet iets moeilijks gaan doen. Arabisch of Chinees. Misschien had hij deze baan anders niet gekregen. Hij heeft Beatrix toch een keer rondgeleid in China?”

Eric gaf na zijn studie een paar jaar les aan de opleiding tolk-vertaler in Maastricht, daarna deed hij het diplomatenklasje van Buitenlandse Zaken. Dat ministerie leende hem in 2011 uit aan de Dienst van het Koninklijk Huis. Eric leidde Beatrix nooit rond in China. „Maar dat Fred invloed op mij heeft gehad, is zeker.”

„Als je nadenkt over je leven”, zegt Frank Elderson in het kantoor van De Nederlandsche Bank, „denk je: leef ik zoals mijn ouders het graag wilden?” Dat heeft hij ook bij zijn leraren van school. „Voldoe ik aan hun verwachtingen? Durf ik ze nog onder ogen te komen?”

De wereld van het geld, weet Frank, was níet die van het Christelijk Gymnasium. „Het ging om het verwerven van kennis, niet van bezittingen.” Er waren ook niet veel leerlingen die economie kozen als eindexamenvak. „Ik kan me dus voorstellen dat die leraren mij zien op televisie, in een pak, en denken: is deze jongen niet verloren gegaan voor alles waar wij voor stonden? Maar ik denk juist dat ik me staande houd door wat ik van hen heb geleerd.”

Daar komt bij: hij is zelf geen bankier of verzekeraar, hij let op bankiers en verzekeraars. Die moeten zich houden aan wetten en regels die óók zijn oud-leraren beschermen. „En zoals anderen religieus zijn opgevoed en zich thuis voelen bij de Bijbel, zo vertrouwd zijn voor mij de klassieken.” Misschien ook door zijn rol als de god Dionysos in het stuk ‘de Bacchanten’, in de zesde klas. Hij leest nog steeds Quintilianus, die in de eerste eeuw na Christus ‘De opleiding tot redenaar’ schreef, en ook Cicero en Seneca.

Zo praat je niet over mensen

In het jaar dat Frank Elderson examen deed, 1988, had het Christelijk Gymnasium al zo’n vijfhonderd leerlingen. Niemand dacht nog dat de school zou kunnen verdwijnen. Nu zijn het er bijna duizend. Maar Frank is er niet gerust op. Als ik vraag of de school misschien een beetje elitair was, zegt hij: „Zo moet je het niet framen. Dit soort onderwijs staat ten dienste van iedereen. Het is een parel die we niet kapot moeten laten gaan.”

Na ons bezoek aan onze lerares Nederlands, in het verpleeghuis met de pop, begint Karen Kruijthof over die keer dat we van het sportveld kwamen, in de tweede klas. We waren langs een oude man gefietst die zich vreemd gedroeg en net voordat de les Nederlands begon had iemand het over „die opa”. Onze lerares keek op. „Hebben jullie dat aan hem gevraagd? Of hij een opa was?”

Wat wij hoorden, zegt Karen, was: zo praat je niet over mensen.

Karen studeerde geneeskunde en bestuurskunde, ze promoveerde, werkte als beleidsmedewerker in een Haags ziekenhuis en werd lid van de raad van bestuur van een Rotterdams ziekenhuis. Daarna van het Amsterdam UMC. Ze denkt dat ze heeft gedaan wat haar ouders en de school van haar verwachtten: „Dat je met je talenten woekert. Heel gereformeerd.”

Wat ze van zichzelf verwacht, en van haar ziekenhuis, gaat misschien nog steeds over die opa. „Als ik nieuwe medewerkers toespreek, zeg ik altijd: als wij nu allemaal twee keer per dag iets vriendelijks doen voor onze patiënten of hun naasten in de gang, wat voor een mooi ziekenhuis hebben we dan? In de lift sta ik ook altijd van die kletspraatjes te houden. ‘Goedemorgen’, ‘leuke jas’, ‘vergeet uw tas niet’. Laatst was er een mevrouw die zei: ‘Wat leuk zeg, u bent hier zeker van de begroeting?’”

Karen was de afgelopen jaren op bijna elke reünie van het Christelijk Gymnasium en elke Kerst stuurt ze vier oud-leraren een kaart. Ze schrijft hoe het gaat met haar en de oud-klasgenoot met wie ze samenwoont. „Kennelijk vind ik het fijn om hen op de hoogte te houden. Misschien ook wel, onbewust, om te laten zien: met ons hebben jullie goeie mensen afgeleverd.”

Lees ook: In de brugklas al grote verschillen in democratische waarden

Op een maandag, in februari van dit jaar, is de begrafenis van Steven Scholtus. Een week eerder hadden we een afspraak in Kafé België in Utrecht, ik wilde hem vragen om mee te doen aan dit verhaal. In NRC had Steven twee jaar geleden verteld over zijn werk voor de GGZ-instelling Altrecht, hij praatte met patiënten die uit de separeer kwamen. Doel was: nagaan of de isoleercellen minder vaak gebruikt konden worden. Steven werkte ook op de stemmenpoli van het UMC Utrecht, hij hielp patiënten. Hij wist precies wat ze meemaakten.

In een wetenschappelijk onderzoek naar hallucinaties, uit 2012, zegt Steven: „De stemmen hebben mijn leven totaal overhoop gegooid. Een normale manier van leven, met fulltime werk en een gezin, zit er voor mij niet in. Toch hebben de stemmen me niet alleen slechte dingen gebracht. Ik heb geleerd wie mijn vrienden zijn, hoe fijn echt sociaal contact is, ik heb inspirerende mensen ontmoet. Ik had het liever zonder stemmen gedaan, maar ook met stemmen kan ik van mijn leven genieten.”

Door zijn werk, twee dagen per week, had hij geen uitkering meer nodig. Daar was hij trots op. Hij was vaak bij zijn ouders, ging naar concerten. Hij had een kaartje voor het afscheidsconcert van Kiss in de Ziggo Dome op 25 juni. Op school had hij van die band een sticker op zijn tas.

De middag voor onze afspraak in Utrecht mailt Steven dat hij zich niet lekker voelt. De volgende dag is hij overleden, waarschijnlijk door een hartaanval.

Zijn familie probeert contact te krijgen met de vrouw die op het Christelijk Gymnasium zijn grootste liefde was. Ze is niet op de begrafenis.