Gijs en Reinout Scholten van Aschat

Foto Merlijn Doomernik

Gijs Scholten van Aschat: ‘Hoezo zou jij beter zijn dan ik, Rein?’

Interview vader en zoon „Fúck”, dacht Gijs Scholten van Aschat toen zijn zoon Reinout naar de toneelschool wilde. „Een moeilijk leven.” Ook Reinout werd succesvol acteur: „Na twee jaar zag je het nog steeds niet bij mij.”

Pluchen stoelen rond een ovale tafel in de brasserie van het Internationaal Theater Amsterdam. Gijs Scholten van Aschat (60) doet alsof hij zijn zoon is en zegt: „Ja pap, misschien wil ik naar de toneelschool.” En doet dan alsof hij een pudding is die in elkaar zakt. „Fúck. De toneelschool. Ik zeg…”

„…moeilijk”, zegt Reinout Scholten van Aschat (30), die naast hem zit. „Dat zei je. Moeilijk.”

„Moeilijk, ja. Een moeilijk leven, en je zou toch naar het conservatorium? De filmacademie? Je wil toch regisseur worden? En toen zei je…”

„…dat ik wilde weten hoe acteren werkt en daarná…”

„…zou je naar de filmacademie gaan. O, natuurlijk, Reinout, nou snap ik het. Briljant plan. Geen speld tussen te krijgen. Zit hij op de toneelschool – ja, nee, pap, ik blijf hier, want ik wil tóch…”

„Zo is het gegaan”, zegt Reinout.

„Zo is het gegaan”, zegt Gijs. „Later dacht ik: heb je me nou in de maling genomen?”

„Nee, nee, echt niet, pap. Het was echt totaal… Ik bedoel, na het eerste jaar dacht ik: niks voor mij. Tot halverwege het tweede jaar dacht ik het nog steeds. En toen, opeens…”

„…klikte er iets.” Diepe zucht. Ja hoor. Er klikte iets.

Etenstijd. Menukaart. Gijs, die de hele dag De thuiskomst van Harold Pinter heeft gerepeteerd, zegt dat Reinout niet veel mag eten, want Reinout moet mager, nee, tánig zijn voor een filmrol, en de opnamen beginnen deze week. Wat voor film? Dat mogen we niet weten. Wel dit: Gijs doet er ook aan mee. Ze spelen hetzelfde personage, de een jong, de ander oud. Reinout, die de hele dag thuis is geweest om zich voor te bereiden, is een zeiler die al een jaar op een schip zit. Gijs: „Dus wat neem je, Rein? De ravioli met spinazie is heel lekker.”

„Ik denk aan bospaddenstoelensoep.”

„Doe maar allebei, dat kan best. Ik ga voor eh…” – aarzel, aarzel – „de burger. Daar heb ik gewoon zin in. We eten thuis best veel vegetarisch. Voor mij vanavond burger met friet. En een glas Spätburgunder.” Nee, hij hoeft nog niet tanig te zijn. Voor hem beginnen de filmopnamen pas in december.

Waarom vond je het moeilijk dat Reinout ook acteur wilde worden?

„Omdat ik kinderen van acteurs heb meegemaakt van wie iedereen zei, of dacht: niet het niveau van zijn vader, hè. Zo treurig. Echt treurig. Ik heb jongens stuk zien gaan. Op hun vijftigste was het nog: hm, ja, wel aardig, maar zijn váder…”

En andersom?

„Huh?”

Dat iedereen zegt: de zoon, die is pas echt goed.

Reinout lacht en Gijs zegt: „Of ik dat erg zou vinden? Helemaal niet. Natuurlijk niet.”

„Straks in die film”, zegt Reinout, „kunnen mensen ons vergelijken.”

„Je bedoelt dat ze gaan zeggen: in het begin, als hij jong is…”

„Ja, ja.”

„…dan is hij goed”, zegt Gijs. „Maar als hij oud is, als ik het dus ben, dan… dan…”

„…is het niet veel meer.” Reinout lacht.

„Nou ja, als ze dat echt zouden zeggen…” Gijs ademt diep in en uit en zegt: „Hoezo zou jij beter zijn dan ik, Rein?”

Onmogelijk te zien of hij het meent of speelt.

Gijs Scholten van Aschat: Hervormd Lyceum in Amsterdam, Toneelacademie Maastricht, Het Nationaal Toneel, Toneelgroep Amsterdam (sinds 2018 Internationaal Theater Amsterdam). Bij het grote publiek is hij bekend door de televisieseries Pleidooi, Oud Geld en Gooische Vrouwen. Verder oneindig veel rollen in films en op het toneel. De komende maanden is hij Teddy in De thuiskomst. Hij vertaalde het muziektheaterstuk Kreuzer vs Kreuzer, dat in november wordt gespeeld door Orkater en Amsterdam Sinfonietta.

Het stuk is een bewerking van een novelle van Tolstoj, waarin de vrouw van een zekere Pozdnysjev de ‘Kreutzer Sonata’ van Beethoven instudeert met een violist. Pozdnysjev denkt dat ze verliefd op elkaar zijn en is zo jaloers dat hij het hart van zijn vrouw doorboort met zijn dolk. „In het stuk”, zegt Gijs Scholten van Aschat, „krijgen die twee een affaire en schiet de man hen dood. Na de pauze wordt het eerste strijkkwintet van Janáčcek gespeeld, ‘Kreutzer Sonata’, en krijgen die twee géén affaire. De man komt op en dan…” – nee, dat zegt hij niet.

Reinout Scholten van Aschat: Hervormd Lyceum in Amsterdam, Toneelacademie Maastricht, Het Nationaal Toneel, Toneelgroep Amsterdam. Bij het grote publiek is hij bekend door zijn rollen in Gooische Vrouwen, Kruistocht in spijkerbroek, Beyond Sleep, Johan, (over Johan Cruijff) en De Heineken Ontvoering, waarin hij een volstrekt geloofwaardige Holleeder speelt. Reinout won er een Gouden Kalf mee.

Wat ze ook gemeen hebben: hun werk voor de Amsterdamse (muziek)theatergroep Orkater. Gijs maakte er vijf voorstellingen, Reinout vier en werkt nu met een groep andere makers aan zijn vijfde, Fabel, een epos over de gruwel en romantiek van dierenfabels.

Toch zijn er grote verschillen tussen hen, al is het maar dat Gijs op zijn dertigste al een gezin met bijna drie kinderen had en een dubbel benedenhuis in Zuid – gekocht met een lening van zijn vader, die bankier was – en dat Reinout een kamer heeft in een woongroep. Op het Museumplein, dat dan weer wel. „Toen papa afstudeerde,” zegt hij, „waren er veel meer acteurs die in dienst van een gezelschap werkten.”

„Vierhonderd”, zegt Gijs.

„En nu…”

„… zijn het er vijftien. Misschien dertig. Alle anderen zijn freelancer. Je bent je leven niet zeker.”

„Ik heb het extreme geluk gehad dat ik voordat ik afstudeerde al met Rutger Hauer in de Heineken-film zat.”

„En je voor vast bij Toneelgroep Amsterdam kon komen”, zegt Gijs. „Maar dat wou je niet.”

„Nee, want dan was ik meteen bij jou in het gezelschap gekomen en ik was nog bezig met mijn eigen… mijn eigen…”

„Dat begreep ik ook wel”, zegt Gijs.

„Dus ik begon het bij Het Nationaal Toneel en het grappige was, daar hadden papa en ik het laatst over, dat ik het fysiek zwaar vond, want er werd in die tijd gedubbeld, overdag repeteren en ’s avonds spelen, dus je bent om 1 uur ’s nachts thuis en om 9 sta je weer op de vloer, en dat is dan…”

„…je leven.”

„Je leven, ja, en dat jij toen zei: in mijn tijd was dubbelen de standaard.”

„Maar wij hadden minder stress”, zegt Gijs. „Wij gingen na de voorstelling naar de kroeg, en dan was ik om halfdrie ’s nachts thuis en ’s ochtends smeet ik jullie naar de crèche, en dan was het koffiedrinken en daarna de hele dag repeteren. Of draaien. Man, jongen, ik werkte zo fúcking hard. Maar gek genoeg waren we er veel relaxter onder.”

„Jullie leven was simpeler”, zegt Reinout. „Dat zei je. Eén kroeg, één krant, géén mobiele telefoon en een páár vrienden.”

„Wat jullie hebben” – Gijs kijkt op een denkbeeldige telefoon en daarna om zich heen, zijn gezicht strak van gespeelde spanning – „dat hadden wij niet.”

„Jullie hadden een andere mindset”, zegt Reinout. „Voor jullie was acteren gewoon je werk.”

„Wij gingen naar ons werk, ja.”

„En voor ons is acteren onze identitéít.” Gezwollen stem. „We moeten ons voortdurend afvragen of we er wel gelúkkig mee zijn.”

Foto Merlijn Doomernik

Praten jullie vaak over jullie werk?

„Heel vaak”, zegt Gijs. „Eigenlijk altijd. Maar nooit over wat je precies doet op de vloer. Altijd over – hoe zal ik het uitleggen? Je instelling. Je staat van zijn voor je het toneel op gaat. Ik doe het ook met collega’s. Je speelt voor de dertigste keer een voorstelling, hoe zullen we het vanavond doen? Zeg ik: vanavond ga ik luisteren. Ik ga me helemaal focussen op luisteren. O, zegt Maria Kraakman dan bijvoorbeeld, ik ga vanavond kijken. Okay. Zo kom je in een zoekmodus. Het ergste, nee, het moeilijkste van acteren is de herhaling. Je moet elke avond opnieuw op zoek gaan naar iets waardoor je op het toneel in het moment kunt zijn, iets…”

„…waardoor je leeft”, zegt Reinout.

„Waardoor je leeft, ja. En hoe bereik je dat? Hoe bereik je dat je, als je voor je gevoel geweldig gespeeld hebt, fúck, wat was ik goed, de volgende avond weer goed bent? Dan gaat het over niet te veel eten, voor mij dan, haha. Dan gaat het over focus en concentratie, over heel hard werken, maar níet meer op het moment dat je het toneel op gaat. Dan moet alles vanzelfsprekend zijn, fluïde. Wat Messi heeft op het veld. Ontspanning. Plezier. Ik zeg nooit tegen Reinout dingen als: volgens mij moet je die overgang zo spelen. Ik zeg: zorg dat je plezier hebt.”

„Maar dat is zoiets raars”, zegt Reinout. „Dat je het toneel op gaat, vijfhonderd man in de zaal, en dat je dan plezíer moet hebben. Dat is zó gek.”

Gijs: „Heel gek.”

Reinout: „Je lichaam zegt: nó, nó.”

Gijs: „Rennen. Wegwezen.”

Reinout: „Niet veilig hier. Je hartslag gaat omhoog. Je krijgt zweethanden. Je pupillen zijn groot.”

Gijs: „Je moet poepen en pissen.”

Reinout: „Hoe vaak je ook op de vloer hebt gestaan, je hele lichaam zegt: gevaar. En als je daar dan staat, en je weet die spanning die door je lichaam giert naar je zintuigen te geleiden, je weet de angst in je hoofd om te zetten in spel, dan kom je best wel soms in zoiets boeddhistisch terecht als een flow. Je bent helemaal in het hier en nu, je speelt als een kind en je hebt het idee, heel gek, dat je helemaal jezelf bent, terwijl je in het kostuum van iemand anders staat en je de woorden van iemand anders spreekt. Dat is zó waanzinnig.”

Gijs: „Enorm.”

Reinout: „Het geeft zo’n absurde kick.”

Gijs: „Je bent supergefocust en tegelijkertijd superontspannen.”

Reinout: „En weet je wat ik het allerraarste vind? Dat jij denkt: nu was ik toch even lekker aan het spelen zeg, ik was als Cruijff aan het dansen op het veld, ik was als Neo in The Matrix, free of mind, je lééfde, en dat dan de regisseur na afloop kan zeggen: nou, je zat er vanavond niet echt in hè. Terwijl de avond ervoor…”

„…was het andersom.”

„En toen was je juist heel slecht”, zegt Reinout. „Je speelde helemaal op techniek. Je was alleen maar alle afspraken aan het afgaan. Je leefde niet.”

Jij moest toch elke avond kotsen, Gijs, voor je het toneel op ging?

„Dat heb ik heel lang gedaan, ja. Wel twintig jaar.”

„Dan is het een ritueel geworden”, zegt Reinout. „Als je niet kotst, is er iets mis.”

„Dan was ik niet goed”, zegt Gijs. „Dan kon ik niet spelen. Ik ben er vanaf gekomen door gedragstherapie. Het verschil met gewone therapie is dat het niet over de oorzaken gaat, alleen over het gevolg: afwijkend gedrag dat jou in de weg zit. Om het af te leren moest ik ademhalingsoefeningen doen, een soort yoga-achtig in- en uitademen, tellen en voor je zien, en tegelijkertijd werd er per uur van de dag, nee, per halfuur, iets van mijn rituelen afgepakt. Want die rituelen begonnen op de dagen dat ik moest spelen al ’s morgens bij het opstaan. Dan dacht ik al na over wat ik ging eten. Bepaalde dingen kotsten gemakkelijker dan andere dingen. Ik eet dit, want dat kotst lekker.”

Wist jij dat, Reinout?

Reinout kijkt naar zijn vader. „Wist ik dat? Ja, ik wist het. Zeker. Ik heb zo’n beeld van vroeger in mijn hoofd dat jij altijd een emmer in eh…”

„…de coulissen had staan, ja.”

„En als je dan op de vloer stond…”

„…was het weg. Als je het psychologisch vertaalt, ben je natuurlijk bang om niet te voldoen aan de eisen die iemand aan je stelt. En die iemand ben jijzelf. Mijn angst werd groter naarmate ik dingen heel nauwkeurig moest doen – een bepaalde mise-en-scène die ik op de centimeter precies moest lopen. Als de regisseur zei: doe maar iets, voelde ik een last van me afvallen. Ik wilde op het toneel ook nooit een stropdas dragen, nooit een strakke boord. Het moest hier” – hij frummelt aan zijn hals – „altijd vrij zijn. Het gekke is, toen ik De vloer op deed” – een televisieprogramma waarin acteurs improviseren op een thema – „had ik nergens last van. Vier camera’s om je heen, een zaal vol mensen, jij weet nog niet wat je gaat spelen, en ik was totaal niet zenuwachtig. Wat het is met zo’n angststoornis: je denkt dat je zonder je rituelen niet kunt functioneren. Als ik kots, komt alles goed. Dat voelt dan heel veilig.”

Waarom ben je het dan toch gaan oplossen?

„Nou ja, omdat het ook vreselijk is. Je doet het allemaal in het geheim. Reinout zegt dat hij het wel wist, maar…”

„Ik wéét dat het zo is”, zegt Reinout. „We zijn collega’s.”

Heb jij dat soort dingen?

„Nee, maar ik heb wel een hartritmestoornis die eens in de zoveel tijd opkomt. Atrioventriculaire eh… AV-nodale re-entry tachycardie. Je hart gaat uit het niets heel snel kloppen, doekedoekedoekedoeke, 300 slagen per minuut. Zo heftig. Het enige wat helpt, is dat ik plat op mijn rug ga liggen, twintig seconden, en dan schiet m’n hart weer in het normale ritme. Je gaat zweten, je oren suizen, je kunt knock-out gaan. Verder is het ongevaarlijk. Nou ja, je moet niet vallen. Bij mij is het wel eens op de vloer gebeurd, dus ik moet altijd tegen mijn medespelers zeggen: het kan gebeuren dat ik midden in een scène opeens ga liggen en even niet kan praten. Raak niet in paniek. Ik ben niet aan het schmieren of aandacht aan het trekken. Het is totaal okay. Sinds ik het gewoon zeg, vind ik het niet meer eng of erg.”

„De laatste tijd heb je het helemaal niet meer gehad”, zegt Gijs.

„Klopt. Je kan er overheen groeien. Maar je kan jezelf helemaal gek maken met van die placebo-achtige dingen – als ik dit niet doe, gaat het mis. En dan gaat het ook mis. Bij de Gijsbrecht, tijdens mijn stage bij Toneelgroep Amsterdam, was er een acteur die slaapproblemen had. Als hij niet sliep, kon hij zijn tekst niet onthouden en de première was al over een week. Wat gebeurt er?”

„Hij vergeet zijn tekst”, zegt Gijs,

„Hij kreeg een black-out. Het duurde wel twintig seconden.”

„Ik denk minder, Rein. Vijf seconden stil op het toneel is al heel lang.”

„De tekst van de Gijsbrecht is in rijm en in een metrum, dus je kunt je er niet uit improviseren. Er ging zo’n idiote spanning door de zaal. Alsof het publiek bij een circusvoorstelling zat en iemand op het punt stond om van de trapeze te springen. En de regisseur maar roepen van achter in de coulissen. Tátatátatátatá.”

Dat kotsen, Gijs, wanneer was dat begonnen?

„Op de toneelschool. Nee, daarvoor al. Op het Hervormd Lyceum speelden we Billy Liar, ik denk dat het bij Billy Liar was, en toen gebeurde het spontaan van de angst en de zenuwen. Wat krijgen we godverdomme nou? Later had ik het altijd als ik ergens moest optreden of zingen. En ook wel als ik met een meisje uitging. Dan ging ik met haar uit eten en dan eh…”

Reinout, vol begrip: „O ja?”

„Ja. Vreselijk, ja. Bij elke vorm van spanning werd het de enige manier waarop ik eh…”

„Elke keer als je het gevoel had dat je moest presteren”, zegt Reinout.

„Ja. Ik heb het er wel eens met mijn broer Christiaan over gehad” – advocaat – „en die herkende het wel. Dus misschien zit het in de familie. Misschien willen we het te goed doen. Ik had er ook een lang gesprek met Jeroen over” – zijn oudste zoon, scenarist – „en volgens hem was het calvinisme. Hij had het helemaal uitgezocht. Je moet het goed doen, je moet je best doen voor de mensheid, maar je moet wel bescheiden blijven. Nooit jezelf op de borst kloppen. Dat wij ons niet steeds willen laten interviewen, ook niet op de televisie, dat heeft daar wel mee te maken. Ha! Kijk ons eens bijzonder zijn! Dat doen wij niet zo snel. Daar zijn wij een beetje beschaamd over.”

„Nou pap”, zegt Reinout, „jij zit wel vaker bij De Wereld Draait Door dan eh… ik.”

„Ja, als ik Shakespeare speel.”

„O ja. Ja.”

„Maar dan voel ik me dus wel” – Gijs trekt een gezicht alsof hij kiespijn heeft – „ung, ung, ung. Jeroen had het toen hij genomineerd werd voor een Gouden Kalf. Hij vond het bijna een probleem, want had hij het wel verdiend?” Jeroen won een Gouden Kalf voor het scenario van de film De Libi. „Hier bij Toneelgroep Amsterdam moeten we van die filmpjes maken voor Instagram, weet je wel.” Hij slaat zijn arm om Reinouts schouders en houdt een denkbeeldige telefoon voor hun gezicht. „Hey! Ik zit hier met Reinout! We staan samen in een voorstelling! Spannend! Hoho! Okay! Ciao! Ik zie het mezelf doen en ik kan het best goed, maar ik heb ook eh… een beetje een hekel aan mezelf.”

Foto Merlijn Doomernik
Foto Merlijn Doomernik

Waren je ouders gelovig?

„Nederlands Hervormd. Zo ben ik ook opgegroeid. Mijn moeder zei: je mag alles doen, als je het maar góéd doet.”

Ook acteur worden?

„O, ja, helemaal. Dat was geweldig. Mijn ouders waren trots toen ik was aangenomen in Maastricht. Ze gingen veel naar toneel. Maar ik weet nog wel dat mama zei: je bent ook goed in wiskunde en economie, en het is niet leuk om een halfbakken acteur te zijn, dus stel, je bent straks vierentwintig en nog steeds niet eh…, dan kun je altijd nog economie gaan studeren.”

Heb je dat ook tegen Reinout gezegd?

„Nee. Dat komt ook een beetje doordat hij onder valse voorwendselen acteur is geworden, haha. En als ik zie wat voor een acteur hij nu is, dan maak ik me helemaal geen zorgen.”

Wat is hij voor acteur?

„Nou ja, hij kan het gewoon.”

Dat zag je al jong bij hem?

„Niet toen ik de hoofdrol had in de afscheidsmusical op de basisschool”, zegt Reinout.

„Toen eerlijk gezegd helemaal niet, nee.”

„Je zag het tegendeel.”

„Je was leuk en geinig, en je wilde altijd graag laten zien wat je kon, ook al kon je het nog helemaal niet. Kon je net een beetje goochelen en dan nodigde je meteen publiek uit. Wat dat betreft lijken we op elkaar. Toen ik klein was had ik een saxofoon en na acht lessen zag ik in de Tielse Courant – we woonden nog in Tiel – een advertentie: pianist zoekt saxofonist. Mijn moeder zei: misschien een beetje te vroeg. Maar ik zei: waarom niet? Dus zij met mij naar die pianist. Zij blijft in de auto en na een kwartier kom ik weer naar buiten. Ik zeg, en nu volg ik even haar verhaal, ik zeg: die man kan niet spelen. Het is een amateur. Diezelfde ongefundeerde bravoure, die heeft Reinout ook.”

„Na twee jaar toneelschool”, zegt Reinout, „zag je het nog steeds niet bij mij.”

„Gewoon echt niet, nee. Dat vond ik ook best wel eh… moeilijk. Ik ging naar presentaties waar ouders ook voor werden uitgenodigd – owww.”

Lees ook: ‘Jouw generatie heeft zich de vrijheid toegeëigend om te scheiden en opnieuw te beginnen’

„Het allerergste wat er was”, zegt Reinout. „Dat je moet spelen voor je klasgenoten, je docenten en je ouders. Je hebt een keer tegen me gezegd dat ik zo speelde.” Hij legt zijn hand tegen zijn voorhoofd. „Ik was in mijn hoofd en ik moest in mijn lichaam zijn.”

„Het was jouw idee van spelen en omdat je taalgevoelig bent, was je vrij snel vrij goed in tempo en ritme, maar verder was het gewoon eh…”

Niks.

„Ja. Pas in je derde jaar zag ik je voor het eerst iets doen dat ik dacht: jezus.”

„Het was aan het eind van mijn tweede jaar”, zegt Reinout. „Het moment dat je openbreekt.”

„Dat het gaat stromen”, zegt Gijs. „Alles in je is met elkaar verbonden. Nou ja, zoiets.”

„Ik dacht: o, hier word ik wél gelukkig van, ik kán spelen en plezier hebben.”

In je derde jaar ging je in De Heineken Ontvoering spelen.

„Ik had gehoord dat ze aan het casten waren en toen heb ik een mail gestuurd. Ik mocht op auditie komen en ik dacht: als ik nou mijn haar donker verf en zo een beetje naar voren doe… Het voelde goed.”

„We hebben samen zitten oefenen op dat Amsterdamse accent, weet je nog?”, zegt Gijs.

„Op de tongpunt-r. Ik moest een Jordanese tongval hebben en die is met een tongpunt-r, ongelooflijk moeilijk, want ik praat met een huig-r. We hebben samen de eindscène geoefend en toen ik terugkwam voor de tweede ronde zat daar opeens Rutger Hauer. Ik was zo geïntimideerd. Ik dacht: die ga ik nooit geloofwaardig laten schrikken.” Hij doet voor wat hij in de film ook doet: zacht en doodeng boe roepen in Hauers gezicht.

„Je had een goede klik met hem”, zegt Gijs. „Je hebt hem nog opgezocht in LA.”

„Hij heeft me geleerd hoe je iets kunt zeggen zonder woorden. De helft van het script speelde hij niet. Het Gouden Kalf kreeg ik uit zijn handen.”

Gijs: „Hij kwam er speciaal voor over uit Amerika.”

Reinout: „Hij reed met zijn motor het podium op.”