32 regels aan de Tugelaweg

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.

Lang geleden, in de tijd dat je op Koninginnedag nog om elf uur in de ochtend een schragentafel op de Dam kon zetten, stonden we daar wijn te verkopen toen ik pal naast ons een uit kleurrijk karton opgetrokken huisje ontwaarde.

Het bleek een ‘Gedichtenmachine’. Als je een gulden in de gleuf gooide, leverde het apparaat binnen enkele minuten een gedicht, zo werd beloofd.

Ik gooide een gulden in de gleuf en verdomd, een paar tellen later kwam er een handgeschreven gedicht te voorschijn: ‘Heden is er zonneschijn/ maar hoe zal het morgen zijn.’

Als ik me met de tram door de stad laat rijden, denk ik vaak aan dat gedicht, want is de tram niet een door je OV-chipkaart in beweging gehouden gedichtenmachine?

Denk ik, als ik op de halte Marnixstraat op de 19 sta te wachten. De Marnixstraat, die genoemd is naar Marnix van Sint-Aldegonde, die het Wilhelmus zou hebben geschreven en de psalmen van David vertaalde.

Zoiets vergeet je wel eens als je op zijn halte staat en in gedachten al bij Emily Dickinson bent die wacht aan de gevel van het huis op de hoek met de Leidsekade. De poëzieliefhebbers van de stad hielden hun hart vast toen het enigszins vervallen huis verbouwd werd, maar zie, Emily Dickinsons prairie straalt in al zijn schoonheid: ‘To make a prairie it takes a clover and one bee,/ One clover, and a bee./ And revery./ The revery alone will do,/ If bees are few.’

Aan hoeveel mensen zou dit vers, in het ondeelbare ogenblik dat het duurt om met de tram voorbij te rijden, al geluk geschonken hebben?

Als we de rivier zijn over gestoken, kunnen we ons opmaken voor halte Oostpoort. Ga de Tugelaweg op en geniet van het geel van de treinen die over de spoordijk flitsen en bedenk dat u, misschien wel zonder het te weten, tegen het gedicht in loopt.

Het is van K. Michel en begint bij het glazen Tugelahuis, op een door Hansje van Halem ontworpen hek onder aan het talud.

Het hek is 350 meter lang, net als het gedicht, dat tweeëndertig regels telt – ‘doe je ogen even dicht en stel je voor’ zegt de dichter.

En dat doe ik: ‘een wijk waar je bij winkels op de lat kon kopen/ en waar men elkaar hielp ondanks de armoede/ waar in de winter lange ijsglijbanen blonken/ en op 1 mei werd gedanst/ waar je ’s nachts de treinen stoom kon horen afblazen/ waar werklozen elke dag moesten stempelen’.

Het is een gedicht van knikkeren, van snoepgoed en van kippensoep, maar in het hart van het gedicht rijden de treinen nog altijd door de nacht.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.