Middenklasse wil ook profiteren van ‘Chileense wonder’

Aanhoudende protesten Chili geldt als relatief welvarend en stabiel. Maar de ongelijkheid in het land is en blijft groot. Betogers willen dat de regering daar iets aan doet.

Een Chileense vrouw loopt slaande op een pan mee in een protestmars. Op het bord staat: ‘Chili is wakker geworden.
Een Chileense vrouw loopt slaande op een pan mee in een protestmars. Op het bord staat: ‘Chili is wakker geworden. Foto Martin Bernetti/AFP

Op 18 oktober was Santiago de Chile een groot slagveld, maar president Sebastián Piñera trok zich daar niet te veel van aan. Protesten van scholieren en studenten tegen een duurder metrokaartje legden de hoofdstad van Chili die vrijdag goeddeels plat. Op sommige plekken ontspoorde dit in vandalisme en plunderingen. Maar terwijl de stad die avond brandde, betogers op pannen sloegen en gestrande reizigers thuis probeerden te komen, reed de dienstauto van de president naar Italiaans restaurant Romaría.

Dat Piñera te midden van alle chaos rustig aanschoof bij het verjaardagsfeestje van een kleinkind, is slechts één van de vele redenen dat de protesten in Chili al bijna twee weken aanhouden. Ook het harde ingrijpen van de regering – massa-arrestaties, avondklok, noodtoestand, leger op straat – joeg de onrust aan. De foto’s van Piñera in de chique pizzeria illustreerden voor Chilenen wel treffend een centrale grief: de ongelijkheid in hun land is te groot en de regering doet daar niks aan.

Neoliberale economen prijzen Chili graag aan als gidsland. De rol van de staat is er al decennia klein, de belastingdruk laag, de markt krijgt alle ruimte. Als ‘Tijger van Latijns-Amerika’ scoort het hoog in internationale economische ranglijsten: weinig corruptie, vriendelijk voor bedrijven, open voor buitenlandse investeerders. In 2002 mocht Chili als eerste Zuid-Amerikaanse land lid worden van de OESO, de club van rijke industrielanden.

De basis voor dit ultra-liberale model is echter omstreden: ze werd gelegd onder generaal Augusto Pinochet. Gesteund door de Amerikanen zette hij in 1973 de democratisch gekozen socialist Salvador Allende af. Na die bloedige coup liet Pinochet de economie vormgeven door adepten van de econoom Milton Friedman uit Chicago. Deze ‘Chicago Boys’ zagen in Chili een ideale proeftuin om Friedmans neoliberale ideeën over absolute economische vrijheid in de praktijk te brengen.

Cijfers zeggen niet alles

Chili is alweer dertig jaar een democratie en ontwikkelde zich tot een relatief welvarend en stabiel land. De economie groeide jarenlang hard, mede dankzij de export van bodemschatten als koper. De huidige protestgolf laat zien dat dit ‘wonder’ ook keerzijden kent. En volgt op een periode van afvlakkende groei. De koperprijs staat laag en Chili lijdt onder het handelsconflict tussen de VS en China.

Lees ook: De revolutie van 30 peso is niet te stuiten

Hierdoor komt er sinds enkele jaren meer aandacht voor de aloude ongelijkheid. De middenklasse vormt inmiddels weliswaar een meerderheid en de armoede en werkloosheid zijn laag, maar de economische macht bleef altijd in handen van een kleine bovenlaag. Binnen de OESO staat Chili in de topdrie van landen met grootste ongelijkheid. (Overigens is Chili met een zogeheten Gini-index van 47,7 in de regio redelijk gemiddeld.)

Statistieken zeggen echter niet alles. Er wordt dezer dagen in Chili veel verwezen naar een beroemde uitspraak van de vorig jaar overleden dichter Nicanor Parra. „Er zijn twee broden”, stelde hij ooit. „U eet er twee. Ik eet er geen. Gemiddelde consumptie per persoon: één brood.”

En in augustus dit jaar wees een onderzoek van Fundación Sol uit dat ook mensen met een voltijdbaan lastig kunnen rondkomen. De helft van de werkenden verdient maandelijks niet meer dan 400.000 pesos (bijna 500 euro), ongeveer het bestaansminimum voor een huishouden van vier personen. Twee derde komt niet boven de 550.000 pesos uit. Slechts een vijfde verdient meer dan 750.000.

Verschillende generaties vrezen in financiële problemen te raken. Jongeren klagen dat onderwijs onbetaalbaar is en dat ze zich diep in de schulden moeten steken om te studeren. Hun ouders zijn bezorgd over de slechte openbare zorg, waaraan alleen met een peperdure private polis valt ontsnappen. Ouderen merken dat het geprivatiseerde pensioenstelsel hun niet genoeg uitkeert om te overleven.

Pleidooi voor nieuwe grondwet

Deze klachten hebben één gemene deler: ze keren zich tegen privatiseringen. In het laboratorium van Pinochet en de Chicago Boys werden staatsbedrijven en nutsdiensten op grote schaal verkocht aan de al bestaande elites (en aan militairen).

Na het herstel van de democratie (in 1990) bleef dit zo. Het maakte Chili’s vaak geprezen, geweldloze transitie mogelijk: democratie in ruil voor behoud van het economisch model van de dictator. En het paste ook in een Chileense traditie: „Het land gaat erop vooruit, als het volk, alhoewel immoreel, tam is”, stelde de Chileense humanist Andrés Bello in 1829.

Piñera lijkt daar niet meer mee weg te komen. De jongeren, die als eerste de straat op gingen tegen het metrokaartje, waren mede zo boos over de wijze waarop de prijsverhoging werd gepresenteerd. Die betrof ‘slechts’ 3,7 procent en alleen de spitsuren. Wie er niet mee kon leven, opperde een minister, kon toch voor half 8 ’s ochtends de metro pakken?

Piñera’s toezeggingen tot nu toe – geen duurdere metro, hoger minimumloon en basispensioen – zijn voor de betogers niet voldoende. Ze eisen dat de grondwet van 1980 wordt herzien, die de privatiseringsdoctrine verankerde. Of zoals columnist Daniel Matamala het in de krant La Tercera verwijzend naar Bello stelde: „Als het land geen vooruitgang boekt [...] houdt het volk misschien op tam te zijn.”