Opinie

Het tafelmes wordt een rituele dolk

Joyce Roodnat ziet drie volstrekt verschillende voorstellingen in het theater: een minimal toneelstuk met mopperende wegloper, een expliciete voorstelling rond een wanhopig gezin, en een opera zo anders dan de bekende versie dat het een mysterieus gedicht is geworden.

Joyce Roodnat

‘Afgelopen’. Met dat lekkere eerste woord gaat Samuel Becketts stuk Eindspel los in een voorstelling met Hans Croiset in de hoofdrol, die alles met zijn stem doet, want bewegen mag hij bijna niet. Taal is alles hier en dan heeft theater de schijn al tegen – althans bij de mensen die bij voorbaat al denken dat ze er niks aan vinden. Maar die doen er niet toe, het gaat om die andere mensen, die wél gaan. Ook al is dit een minimal stuk, het staat zomaar in een grote zaal. Die zit vol. En er is een mopperende wegloper, wat de avond ideaal maakt want weglopen, dat is recht uit het hart.

In de Utrechtse Stadsschouwburg zie ik Sexual Healing – in de grote zaal, en die zit vol, ook al is dit een weerbarstige, expliciete voorstelling over een gezin dat hun wanhoop in straattaal uitbrult. Deze kant gaat het op met het Nederlandse toneel, let maar op.

De grote zaal van de Stadsschouwburg in Amsterdam zit vol voor Tosca. Dat is niks bijzonders, Tosca is een populaire opera, vol geliefde aria’s, zoals het dramatische ‘Vissi d’arte’ waarmee Tosca haar leven vaarwel zegt.

Maar wacht even. Dit is Tosca, maar dan helemaal anders. Deze Tosca is Koerdisch, niet half maar heel. Ondernomen door de Koerdisch-Turks-Nederlandse regisseur Celil Toksöz, die een Aramese componist vroeg om zijn muziek over die van Puccini heen te leggen.

Lees ook: Een Koerdische Tosca was een lang gekoesterde droom voor Celil Toksöz

In deze Tosca is voor het westerse publiek geen houvast. De taal is Koerdisch, de vertaling is een mysterieus gedicht geworden. Het orkest is een tienkoppig ensemble, niet in de bak maar op het toneel, waar het de zangers opzweept om dreigend en dreinend te zingen, in verglijdende klanken. De bekende tradities spelen geen rol, Toksöz houdt zich aan ándere tradities, realiseer ik me, en ook dat het me moeite kost me los te maken. Ik val voor de rol van de vileine Scarpia, voor de zanger met zijn dreigende aanwezigheid en zijn lichte fluwelen stem. Waarom? Omdat hij me doet denken aan Jafar in de film Aladdin. Omdat hij in zijn spel aansluit bij mijn beeld van oosterse mannen. Alleen, zijn handlanger vind ik amateuristisch, met die stramme rug en die pommadesnor. Maar is hij dat?

Het komt door mij. Ik kijk beter en zie dat hij geweldig is. Hij zingt alsof hij een bom heeft ingeslikt, zijn strakke rug suggereert een biddende roofvogel die Tosca zal verschalken. Het tafelmes waarmee zij op Scarpia insteekt is hier een rituele dolk. Maar dan: „Stik in je eigen bloed”, en haar jammerklacht. ‘Vissi d’arte’ is onherkenbaar verklankt, maar er sijpelt intens verdriet in en dat gaat over alle windstreken heen. En al die mensen in die hele grote zaal worden weer iets wijzer. Wat dan weer de zin van de schouwburg is.