Het rood van Pieter de Hooch en Nicolaes Maes

Tentoonstellingen Het Mauritshuis in Den Haag toont werk van Nicolaas Maes, het Prinsenhof in Delft exposeert Pieter de Hooch. Het is een geluk dat we deze twee zeventiende-eeuwse schilders nu eens kunnen vergelijken.

Pieter de Hooch: Man die een brief voorleest aan een vrouw, 1670-1674 De Kremer Collectie, Vrouw en kind bij een bleekveld in Delft, 1657-1659 Rothschild Collection (Waddesdon)
Pieter de Hooch: Man die een brief voorleest aan een vrouw, 1670-1674 De Kremer Collectie, Vrouw en kind bij een bleekveld in Delft, 1657-1659 Rothschild Collection (Waddesdon) Foto Mike Fear

Pieter de Hooch is de schilder van het Hollandse binnenhuis. Bij hem geen landschappen, stillevens, bijbelse of mythologische taferelen. Hij schiep een niche binnen de veelvormigheid van de zeventiende-eeuwse schilderthematiek. Bij De Hooch treft men doordacht gecomponeerde interieurs aan, ‘kamergesigten’, zoals ze werden genoemd of zonnige binnenplaatsjes, begrensd door gemetselde muren, een schutting of een haag.

De blauwdruk, de grondvormen van zijn composities zijn de horizontalen en verticalen van deuren en ramen, van een schilderijlijst of een stoel. Die mathematische structuur houdt hij vakkundig in balans met organische vormen van mensen, vegetatie, stoffen en soms van een hondje.

Minstens zo kenmerkend als die hechte structuur zijn De Hoochs kleuren: het rood van bakstenen en dakpannen, van een luik, een deur of een jakje, en het heldere oker van plavuizen. In zijn meest kenmerkende en meest geslaagde werk is het opgeruimd, goed geboend en stofvrij.

Pieter de Hooch: Vrouw en kind bij een bleekveld in Delft, 1657-1659 Rothschild Collection (Waddesdon) Foto Mike Fear

Toch maken compositie en coloriet niet alleen de dienst uit. Geen waarnemer kan heen om De Hoochs weergave van het licht, in dit geval daglicht. Het valt van buiten het huis binnen, door deur of raam, het begeeft zich over een drempel, scheert langs een deurpost, raakt een stoelpoot, kaatst op een beddenpan en strijkt door het haar van een kind. Omgekeerd wordt het oog van de beschouwer via de achter elkaar gelegen vertrekken naar buiten geleid. Deze voorstellingen komen ruimschoots aan bod op de mooie tentoonstelling in Museum Prinsenhof te Delft. Er hangen 26 van de ongeveer 160 schilderijen die van De Hooch bekend zijn.

Pieter de Hooch werd geboren in 1629 in Rotterdam, waar hij waarschijnlijk zijn opleiding kreeg. Hij verhuisde naar Delft en onderging daar de invloed van een aantal schilders die zich specialiseerden in geometrisch opgezette binnenruimtes zoals kerkinterieurs. In de jaren dat hij hier woonde maakte hij zijn mooiste werk, dat al snel werd gewaardeerd. In 1660 vestigde De Hooch zich in Amsterdam. Hier raakte hij gefascineerd door een veel grotere ruimte dan dat Hollandse binnenhuis: het interieur van het dan splinternieuwe stadhuis. Hij schilderde dit enkele malen en we zien daar elegante bezoekers die zich vergapen aan de marmeren pracht en praal van de architectuur en aan de beeld- en schilderkunst. In Amsterdam ook kreeg De Hooch opdrachten voor familieportretten in hun luxueuze interieurs.

Als hij al veel succes had, dan verdween dat in 1672, het Rampjaar, toen Nederland in een fatale oorlog belandde en de economie en dus ook de schilderkunst zware klappen te verduren kregen. Er is nog een archiefstuk uit 1679, maar daarna valt er geen spoor van Pieter de Hooch meer te bekennen.

De tentoonstelling in Delft is na een korte inleiding chronologisch ingedeeld. Die chronologie maakt het mogelijk De Hoochs ontwikkeling te volgen. Er hangen dan ook een paar vroege werken waarin hij zich toelegde op zogeheten kortegaardjes (corps de garde), herbergruimtes en stallen waar officieren, doorgaans in vrouwelijk gezelschap, de tijd doorbrengen met kaarten, pijproken en drinken. Hier zien we al De Hoochs occupatie met binnenruimtes en met lichtval. Allengs vindt er in zijn composities een grote opruiming plaats. De voorstelling vindt nu plaats in een burgerkamer en hij reduceert het aantal attributen. De speelkaarten en pijpenkoppen op de vloer zijn verdwenen en een enkele bezem verraadt dat er flink is schoongemaakt. Door een raam of vanuit de binnenplaats wordt de kijker een blik gegund op een stukje Delft.

Gemetseld muurtje

Voor deze tentoonstelling is archiefonderzoek gedaan, de schilderijen zijn technisch doorgelicht en ook is gezocht naar de locaties die deze meester van het gemetselde muurtje zo vakkundig heeft vastgelegd. Die huizen, kerken, voormalige kloosters en binnenplaatsen zijn ook gevonden, maar een realistisch beeld verschaft De Hooch ons niet. Hij schoof met architectonische, aan de werkelijkheid ontleende elementen en puzzelde net zo lang tot hij de afzonderlijke eenheden in een logisch verband had geplaatst. Pas daarna voegde hij de menselijke figuren toe, zetstukken als dienstmeiden, moeders en kinderen. Die kinderen alleen al zijn de moeite waard, zoals ze kwetsbaar in een deuropening staan, afwachtend met tol of kolfstok.

Uit technisch onderzoek blijkt dat De Hooch zijn personages regelmatig verschoof om tot de ideale compositie te komen. Dat is hem menigmaal gelukt, al blijven de figuren wat aan de stijve kant. Soms lijken de tegelvloeren door een perspectivische vertekening te golven of te hellen.

Nicolaas Maes: Naaiende jonge vrouw in een interieur, 1655. Guildhall Art Gallery

De dienstmeid, met als attributen een glimmende emmer, potten en pannen van aardewerk en een bezem komen we ook tegen bij De Hoochs tijdgenoot Nicolaes Maes (1634-1693). Het Mauritshuis wijdt een eveneens geslaagde tentoonstelling aan deze in Dordrecht geboren Rembrandtleerling. Het is een geluk dat we die twee nu eens kunnen vergelijken. Beide tentoonstellingen tonen werk uit binnen- en buitenlandse collecties. Ook Maes schilderde binnenhuizen en ook hier gaat het om licht, maar dit is atmosferisch licht, waar donkere partijen een grote rol spelen. De grenzen tussen licht en donker zijn gradueler dan bij De Hooch. Bij de laatste is alles helder, bij Maes speelt het halfduister ook een rol; bovendien zijn diens voorstellingen warmer van coloriet. De voorstellingen zijn anekdotischer en Maes voegt veel meer attributen toe, waardoor de compositie levendiger wordt. Zou je bij Maes grote schoonmaak houden, deuren en ramen openzetten, al het keukengerei opruimen en iedereen tot stilte manen, dan krijg je een De Hooch.

Nicolaes Maes: Portret van een meisje met herten, ca 1671. Privecollectie.

Opperste concentratie

Uit de 35 geëxposeerde schilderijen blijkt de veelzijdigheid van Nicolaes Maes. In formaat, thematiek en stijl. Er hangen enkele vroege bijbelse taferelen waaruit blijkt wat een goede Rembrandtleerling hij was. Die veelzijdigheid toont hij ook in zijn genrestukken. Waar de Hoochs figuren nogal eens wezenloos voor zich uit staren, zien we bij Maes vrouwen in opperste concentratie aan het kantklossen, aan het naaien of spinnen; een moeder ontluist haar kind. Bekend zijn de voorstellingen van dienstmeiden die met een vinger en een schalks lachje de toeschouwer wijzen op de geheime afspraak van een stelletje op de achtergrond. Omdat hij er vele versies van heeft gemaakt moet dit een populair thema zijn geweest.

Nicolaes Maes zette na successen in Dordrecht in 1673 zijn carrière voort als portretschilder in Amsterdam. Hij speelde daar vakkundig in op een veranderende smaak. Hij sloot aan bij de Franse mode en werd tegelijk schatplichtig aan de dan al veel oudere portretten van Anthony van Dyck. Niet langer poseren de voorgestelden in donkere kleding met witte kragen. Nu zien we geen kortgeknipte koppen onder een mutsje, maar lange krullen en weelderige pruiken. Nu hullen de geportretteerden zich in zwierige, kleurige fantasiekledij, in wervelende japonnen en draperieën. Het is hier een en al elegantie, tegen het wufte aan. En dat alles in een arcadische entourage compleet met bosschages, fonteinen, rotspartijtjes en watervallen. Ook de gelaatstrekken veranderen; ze worden minder individueel en ook wat saaier.

Maes’ succes was groot, hij had een reusachtige productie en het aantal portretten van zijn hand wordt geschat op negenhonderd. Geen wonder dat er een standaardisering intrad. Maes verdiende goed en hij eindigde dan ook gefortuneerd. Daarin was hij de tegenpool van Pieter de Hooch, die zich niet wist aan te passen aan de nieuwe smaak, waarschijnlijk de juiste contacten voor opdrachten ontbeerde en in armoede stierf.