Opinie

Van opera naar film, en weer terug

Peter de Bruijn In Centre Pompidou Metz ziet Peter de Bruijn dat de parallellen tussen opera en film nog steeds voor het oprapen liggen.

Peter de Bruijn

Daar moet over nagedacht zijn. In het Centre Pompidou Metz, de dependance van het Parijse museum in het noordoosten van Frankrijk, zijn momenteel twee exposities te zien die prachtig op elkaar inspelen. Op de begane grond bevindt zich L’Oeil extatique (‘Het extatische oog’) dat gaat over het werk van de grote Russische cineast Sergej Eistenstein. Op de derde etage is de tentoonstelling Opéra Monde te zien, die de dwarsverbanden tussen beeldende kunst en opera behandelt. Film en opera zijn natuurlijk nauwe verwanten. Beide zijn kunstvormen waarin bijna alle andere kunsten samenkomen: muziek, drama en de visuele kunsten; van het licht tot decors en kostuums.

Het museum had de overeenkomsten zelfs nog verder kunnen onderstrepen door op de tentoonstelling over Eisenstein zijn theaterproductie van Wagners Die Walküre in Moskou in 1940 te behandelen. Die productie is een bizar hoofdstuk in de geschiedenis van de culturele diplomatie. Na het beruchte Molotov-Ribbentroppact waren het Derde Rijk en de Sovjet-Unie in augustus 1939 plotseling bondgenoten. Eistenstein – een homoseksuele communist van joodse afkomst – kreeg daarom de staatsopdracht om voor het Bolsjoj-theater het werk van Hitlers favoriete componist te ensceneren. Maar juist die episode in de carrière van Eisenstein ontbreekt op de tentoonstelling.

De parallellen tussen opera en film liggen nog steeds voor het oprapen. Op de tentoonstelling over Eistenstein is een uitvergroting te zien van zijn schema voor de ‘verticale montage’ van Alexander Nevski: een kostuumdrama over een Russische vorst die in de Middeleeuwen strijdt tegen een invasiemacht van Duitse ridders. Die film moest Sovjetburgers in 1938 juist weerbaar maken voor de gevaren van Derde Rijk. Na het Molotov-Ribbentroppact werd de film snel uit de bioscopen gehaald. Eisenstein monteerde de film op drie niveaus tegelijk, die hij in het schema onder elkaar weergaf: de compositie van het beeld, het ritme van de montage én de muziek die Sergej Prokofjev schreef voor de film. Het schema is meer een partituur van een film dan een conventioneel scenario.

Op de tentoonstelling Opéra Monde duiken beroemde kunstenaars op die briljant werk leverden voor operaproducties; van David Hockney tot Roland Topor. Ook filmregisseurs ontbreken niet. De expositie ruimt een hoekje in voor de montage van gezichten in het publiek tijdens de ouverture van Mozarts Die Zauberflöte in Ingmar Bergmans beroemde operafilm. Federico Fellini spot met de kippendrift van operazangers in een scène in E la nave va, waarin zangers elkaar aftroeven door nóg harder, nóg langer en nóg hoger te zingen.

Wagner en zijn ideaal van het Gesamtkunstwerk krijgen een centrale rol op de expositie in Metz. Als Wagner in de twintigste eeuw had geleefd, was hij filmmaker geworden, hoor je wel eens. Maar dat is toch twijfelachtig. Daarvoor was hij te veel een theaterman in al zijn vezels. Om het eenmalige en overrompelende van een uitvoering van zijn muziekdrama’s in het operahuis op te geven voor een filmvoorstelling, zou hij vermoedelijk een te groot verlies hebben gevonden.

Peter de Bruijn is filmrecensent.