Recensie

Recensie Beeldende kunst

Brancusi ging op zoek naar de ware zin van de dingen

Tentoonstelling In het Bozar in Brussel opent een expositie met werk van de Roemeense kunstenaar Constantin Brancusi.

Constantin Brancusi: De Kus, 1907. Foto Sever Petrovici Popescu/Succession Brancusi/Sabam
Constantin Brancusi: De Kus, 1907. Foto Sever Petrovici Popescu/Succession Brancusi/Sabam

De vraag is niet of ze kunnen ademhalen – dat kunnen ze niet. Mond en neus zijn platgedrukt tegen die van de ander: geen speld past ertussen. De vraag is ook niet wat ze van elkaar kunnen zien – dat is namelijk helemaal niets, zoals dat gaat wanneer netvlies op netvlies drukt, wenkbrauw op wenkbrauw, voorhoofd aan voorhoofd kleeft. De vraag is wel wat de kunstenaar dacht toen hij het geabstraheerde beeld, dat hij De Kus noemde, uit één blok steen hakte, zaagde en schuurde.

De Roemeense beeldhouwer Constantin Brancusi (1856-1957) woonde in 1907 aan de Parijse Place de la Bourse en het is goed voorstelbaar dat hij – pas drie jaar woonachtig in Parijs – af en toe een wandelingetje maakte naar de vlakbij gelegen halte van de eerste metrolijn van Parijs: Louvre-Rivoli. De metro was in 1900 geopend. Het is verleidelijk om te denken dat Brancusi de rechte rails van de metro vertaalde in de geabstraheerde vormen van De Kus. En het is nog verleidelijker om te denken dat hij het gevoel van een vertrekkende trein – met de lucht die zich vacuüm trekt op het perron – plotseling besloot om te zetten in drie dimensies. Want dat is het gevoel dat je krijgt als je naar De Kus kijkt, een best klein beeldje van twee uit één steen gebeeldhouwde figuren dat uitgroeide tot één van de meest iconische beelden van Brancusi. Het is het gevoel van woesjjjj, van een gigantische aantrekkingskracht tussen twee delen van de steen die magnetisch lijken, terwijl ze het niet zijn.

Lees ook: Joyce Roodnat over Brancusi’s ei

De eerste versie van De Kus dateert uit 1907 en betekent een omwenteling voor Brancusi. Hij verlaat het atelier van Rodin en daarmee ook Rodins naturalisme. In plaats daarvan gaat hij op zoek naar wat hij noemt ‘de ware zin van de dingen’. Die ‘ware zin’, zoekt hij, zoals in het geval van De Kus, in een bijna veertig jaar lang, hardnekkig hernemen van hetzelfde motief. Uiteindelijk zal er alleen maar een ragfijn, abstract teken overblijven, waarmee hij sommige brieven signeert.

Die eerste Kus, uit het bezit van het Muzeul de Artă Craiova in het Roemeense Craiova, is een van de ruim tweehonderd werken van Brancusi en bevriende tijdgenoten op de tentoonstelling ‘Brancusi – Sublimeren van Vorm’. De expositie in het Brusselse Bozar is het paradepaardje van het dit jaar jubilerende kunstenfestival Europalia. Ze toont niet alleen de topwerken van Brancusi en van sommige van zijn vrienden als Duchamp, Leger en Man Ray, maar – en dat is het bijzondere – ook briefkaarten, tekeningen van bijvoorbeeld De Kus, platenhoezen, foto’s en filmfragmenten die Brancusi vanaf 1914 van zichzelf, zijn werk, zichzelf tussen zijn werk en zijn vrienden tussen zijn werk maakte.

Bonkige, baardige man

Op die foto’s zie je de grote, bonkige, baardige man als een bezetene schuiven met zijn werk, en vooral experimenteren met de weergave ervan. Hoezeer Brancusi de naam heeft altijd op zoek te zijn geweest naar de ultieme vorm die elke specifieke vorm overbodig zou maken – met het marmeren ei, Het Begin van de Wereld, als hoogtepunt –, in Brussel blijkt hij tegelijkertijd mateloos gefascineerd door beweging en de manier waarop licht, schaduw, over- en onderbelichting en vreemde perspectieven een massief beeld van brons, marmer, gips of steen kunnen laten veranderen in iets dat opgaat in zijn omgeving, of juist verschilt van wat je denkt dat je ziet. Zelfs de contour van sommige beelden – toch best belangrijk in een kunstwerk – lost op in de lucht.

Dat wordt prachtig duidelijk op de foto’s uit de jaren twintig en dertig van Vogel in de Ruimte, een beeld als een ijle ganzenveer, dat Brancusi vanaf 1909-1910 in vele bronzen en marmeren variaties maakt. Op sommige daarvan lijkt het beeld los te komen van zijn sokkel, op een andere lijkt de schaduw ervan massiever dan het beeld zelf, en op weer een andere is het licht zo schaars dat koel marmer rul wordt als een lamsvelletje.

Lees ook: in 2018 was een Brancusi een van de duurst geveilde kunstwerken van het jaar

Op een korte ongedateerde film uit ergens eind jaren dertig filmt Brancusi een van zijn grote, werkelijk geworden dromen: de bijna dertig meter hoge Eindeloze Zuil die hij in 1938 in het Roemeense Târgu Jiu voltooit. Het motief van de zuil – misschien wel geënt op de prachtig folkloristische Roemeense grafzuilen of bewerkte deurposten – houdt hem al vanaf 1917 bezig. Dan begint hij met het uit hout beitelen van een puur abstracte zuil die bestaat uit ritmische, ruitvormige modules. Op atelierfoto’s is de zuil klein, hoog, soms staat ze op een sokkel, soms groeit ze uit de bodem. Altijd is ze omringd door ander werk of ligt er gewoon een blok steen bovenop. In het atelier is er altijd een einde aan de eindeloosheid.

Anders is dit bij De Eindeloze Zuil. Op de tentoonstelling is een ontroerende, korte film van Brancusi te zien, waarin hij zijn schepping in het landschap aftast en liefkoost tegelijk. De zuil is minaret, rechtopstaande streep, richtingaanwijzer, een zwart-witte parelketting die de wolken symmetrisch splijt. Ze verandert van gedaante als de zon zich achter de wolken verbergt of juist tevoorschijn komt. Geen sokkel kan De Eindeloze Zuil dragen. Geen sokkel hoeft haar te dragen. Geen landschap is te groots voor haar. Ze begint in de lucht, want daar kijk je als eerste naar. Ze verdwijnt in de grond. En daar, hoop je, kan ze oneindig doorgroeien.