Met deze computer (Interface Message Processor, Universiteit van Californië) werd op 29 oktober 1969 de eerste internetverbinding gelegd met een andere computer, op het Stanford Research Institute. De verbinding crashte bij de derde letter, de G van LOG. De foto is in 2011 genomen. Foto Fred Prouser / Reuters

50 jaar internet - een schitterend ongeluk

Internetgeschiedenis In 1969 werd aan de westkust van de VS het eerste computernetwerk geboren: Arpanet. Het zaadje dat zou uitgroeien tot ons huidige Internet. Een kleine geschiedenis van een grote ontwikkeling.

Terwijl de wereld nog aan het bijkomen was van de eerste mens die enkele maanden eerder voet op de maan had gezet, vond op 29 oktober 1969, vijftig jaar geleden, een doorbraak plaats die toen weinig aandacht kreeg maar uiteindelijk een veel grotere invloed op de wereld zou hebben: voor het eerst werd een bericht tussen twee computers verstuurd, van de Universiteit van Californië in Los Angeles naar het Stanford Research Institute.

Het bericht bestond uit weinig meer dan de letters ‘LO’. Dat had ‘LOG’ moet zijn, als afkorting van ‘LOG IN’, maar bij het versturen van de letter G crashte de verbinding. Aan het einde van dat jaar waren vier computers van vier Amerikaanse universiteiten met elkaar verbonden, een heus computernetwerk. Het Arpanet was geboren, het zaadje van ons huidige Internet, inmiddels toegankelijk voor 55 procent van de wereldbevolking.

Leonard Kleinrock was erbij

In de jaren zestig waren computers duur en het idee om computerkracht te delen en mensen via machines op afstand te laten samenwerken lag voor de hand. Informaticus Leonard Kleinrock was erbij toen in 1969 het eerste bericht werd verzonden. Hij vertelde eerder dit jaar bij een vroege viering van 50 jaar Arpanet over zijn voorbereidende werk: „Voor mij was het duidelijk dat computers vroeg of laat met elkaar moesten kunnen praten, maar daarvoor was geen technologie beschikbaar. Het telefoonnetwerk was ontoereikend. Ik besloot om een wiskundige theorie van datanetwerken te ontwikkelen. Toen ik die had uitgewerkt, gaf niemand er iets om. Er was geen toepassing. Telefoonbedrijf AT&T zei dat het niet zou werken, en zelfs als het wel werkte, wilden ze er niets mee te maken hebben. Er was geen bedrijfsmodel.”

Het ironische was dat Kleinrock en zijn collega’s het telefoonnetwerk gebruikten om te checken of het verzonden bericht ook werkelijk aan de andere kant werd ontvangen. Kleinrock: „We testten een technologie die later het telefoonnetwerk overbodig zou maken.” De scepsis – en soms zelfs de tegenwerking – van klassieke telefoonbedrijven is een terugkerend thema in de ontwikkeling van het Internet in de jaren zestig, zeventig en tachtig. Telefoonbedrijven geloofden rotsvast in hun eigen filosofie: reserveer één enkel communicatiekanaal voor de hele tijd van het gesprek tussen zender en ontvanger. Kleinrock en zijn medepioniers bedachten in de jaren zestig dat het voor datacommunicatie tussen computers juist veel handiger is om een bericht op te knippen in losse datapakketjes. Die pakketjes stuur je dan zo efficiënt mogelijk langs verschillende wegen naar de ontvanger, waar ze tot één geheel worden gebundeld. Packet switching heet dat. Deze technologie zou de basis gaan vormen voor het Internet.

Voortdurend pleisters plakken

In de loop van de jaren zeventig en tachtig raakten Nederlandse pioniers betrokken bij de verdere ontwikkeling tot een heus Internet: een netwerk van computernetwerken. In 1973 kreeg het Arpanet de eerste knooppunten buiten de VS: in Engeland en Noorwegen. De Nederlander Teus Hagen richtte in 1982 EUnet op, de eerste Europese connectie met het Arpanet in de VS. Een jaar later werd het Arpanet opgesplitst in een militair netwerk en een onderzoeksnetwerk en ging het over op het datacommunicatieprotocol TCP/IP. Dat packet-switching-protocol, ontworpen in 1973, is nog steeds de ruggengraat van het huidige Internet.

En daar gaat het wringen. In 1973 had niemand nog real-time-toepassingen als Skype of Netflix in gedachten. Alle Arpanet-gebruikers kenden en vertrouwden elkaar nog. Rekening houden met veiligheid in het ontwerp was toen helemaal niet nodig. Door het jaren-zeventig-ontwerp zitten we volgens de Nederlandse internetpionier Kees Neggers nu opgescheept met een Internet waarvan de veiligheid, betrouwbaarheid en schaalbaarheid niet meer voldoen aan het moderne gebruik. Eerder dit jaar zei Neggers in een interview in technologietijdschrift De Ingenieur: „We hebben het tot nu toe alleen overleefd door voortdurend pleisters te plakken, door steeds grotere computerkracht en door er veel bandbreedte tegenaan te gooien.”

Neggers noemt het Internet een schitterend ongeluk: „Schitterend, omdat het Internet een onmisbare infrastructuur is geworden. Maar we zijn vergeten om de architectuur met het veeleisender en massaler worden van het internetgebruik op tijd aan te passen. En in die zin is het een ongeluk.” Hij pleit voor het stukje bij beetje uitrollen van een nieuwe Internet-architectuur, te beginnen bij partijen die kritische infrastructuur beheren, zoals elektriciteitsmaatschappijen en ziekenhuizen: „Al in de loop van de jaren zeventig is er een Internetarchitectuur ontwikkeld die veel beter presteert als het gaat om veiligheid, betrouwbaarheid en schaalbaarheid. We weten dus al lang hoe het beter kan en de verdere ontwikkeling van het gebruik maakt ook dat het beter moet. Je kunt je toch niet voorstellen dat straks zelfrijdende auto’s en het internet der dingen afhankelijk gaan zijn van het huidige krakkemikkige Internet?”

Per ongeluk ontstaan

Een andere Nederlandse internetpionier, Ted Lindgreen, voormalig directeur van NLnet, in 1986 de eerste Nederlandse internetprovider, benadrukt de kracht van de bottom-up-manier waarop het Internet zich heeft ontwikkeld. Hij vertelt: „De klassieke telefoonbedrijven wilden het top-down doen en dat duurde in de praktijk veel te lang. Bottom-up-ontwikkeling is sneller en krachtiger. Dat zie je telkens weer terugkeren. Het eerste e-mailtje is ontstaan omdat techneuten het leuk vonden om elkaar iets te sturen. De directeuren van bijvoorbeeld IBM zagen daar het nut totaal niet van in. Die wilden alleen computers met elkaar laten praten. Eenzelfde fout is later met sms gemaakt. Sms is per ongeluk ontstaan omdat bij het uitrollen van mobiele telefonie de ingenieurs het handig vonden om kleine berichtjes naar elkaar te sturen. Ze hadden totaal niet door dat dat ook voor de alledaagse telefoongebruiker handig zou zijn.”

Toch vindt ook Lindgreen dat de onderlaag van het Internet verbeterd moet worden. „Met name voor de veiligheid, want daar is bij het ontwerp inderdaad niet over nagedacht. Maar daar wordt inmiddels ook aan gewerkt, in Nederland vanuit NLnet Labs. Daar onderzoeken ze nieuwe internetarchitecturen.”

Erik Huizer, tegenwoordig CEO van GÉANT, een pan-Europees datanetwerk voor onderzoek en onderwijs, was in 1985 bezig met zijn promotieonderzoek in de vaste-stoffysica aan de TU Delft. Voor het automatiseren van zijn metingen wilde hij twee IBM-pc’s aan elkaar koppelen om data van de ene naar de andere computer te sturen. Na enig speurwerk stuitte hij op het Internet-protocol IP. Hij implementeerde het en dat werkte uitstekend. „Ik raakte daardoor gegrepen door de mogelijkheden van computernetwerken en ik wist dat ik verder wilde gaan met netwerken. Ik liet de natuurkunde achter me en concentreerde me op netwerktechnologie.”

Hij vertelt hoe bijna alle internetpioniers een idealistisch toekomstbeeld hadden: „Velen waren een product van de jaren zestig. We dachten: als we nou zorgen dat iedereen met iedereen kan communiceren, dan kan iedereen van iedereen leren, dan komt het goede in de mens naar boven en moet het toch mogelijk zijn om oorlog te voorkomen. Inmiddels weten we natuurlijk wel beter.”

De Digitale Stad

Wat vindt Erik Huizer vijftig jaar na de geboorte de belangrijkste aandachtspunten voor het Internet? Huizer: „Er zijn drie basisvoorwaarden: het Internet moet toegankelijk, open en betrouwbaar zijn. Helaas worden ze alle drie bedreigd. Cybercrime is de eerste bedreiging. Het slechte van de mens buiten de wereld van het Internet heeft zich ook verplaatst naar het Internet. De tweede dreiging komt van grote platforms als Google en Facebook. Hun dominantie en de manier waarop zij met data omgaan tast de betrouwbaarheid van het Internet aan. En de derde bedreiging komt van sommige overheden die het Internet willen gebruiken om controle te krijgen over hun burgers.”

Voor een mogelijke oplossing van het probleem met de grote platforms verwijst Huizer naar een stuk Nederlandse Internetgeschiedenis: „In 1994 werd in Amsterdam De Digitale Stad opgericht. Dat heeft enorm veel bijgedragen aan de ontwikkeling van het Internet in Nederland. De Digitale Stad gaf de burger instrumenten om zelf internettoepassingen te verzinnen, bijvoorbeeld chatforums en online kunst. Het zou heel mooi zijn als je in deze tijd nog een Digitale Stad had, als tegenwicht tegen de Facebooks en Googles, met al hun beperkingen. Dat werkt echter alleen maar als een platform niet commercieel is. Zodra het commercieel is, is de vrijheid van de gebruiker niet langer een belangrijk element en komt die onder druk te staan. Zo’n platform moet dan eigendom van de gebruikers zelf zijn of van de overheid. Maar de overheid heeft op een gegeven moment begrijpelijkerwijs haar handen van De Digitale Stad afgetrokken qua subsidie. Toen is het redelijk snel ingestort want er zat geen businessmodel achter. Maar soms heb je dingen nodig waar geen businessmodel achter zit om creativiteit en opportunisme te stimuleren.”